Olieramp in de Golf zet aan tot meer overheidscontrole

Sinds meer dan twee maanden geleden massaal olie is beginnen te lekken in de Golf van Mexico is de beurskoers van BP naar een dieptepunt gedaald en blijven de kosten voor de oliemaatschappij - al meer dan 2,1 miljard euro - oplopen. Van een gevoel van urgentie bij deze milieuramp was lang geen spoor, de crisiscommunicatie verdient een dikke nul en er lijkt ook een keerpunt bereikt in de autonomie van bedrijven om zelf voor controles in te staan. De rol van de overheid in risicovolle sectoren wordt alweer prominenter.

Bij het eerste belsignaal laat de brandweerman alles vallen en snelt naar de kazerne, soms voor een schuurbrand. Tijdens de bankencrisis kwam de regering in het weekeinde samen om nog voor de markten opengingen de banken een reddingsboei toe te werpen. Toen op 20 april door een explosie op het boorplatform Deepwater Horizon aardolie massaal de Golf van Mexico begon te vervuilen, deed niemand iets, en dat wekenlang. Er was geen gevoel van urgentie bij die natuurramp. Bovendien ontbrak het aan noodprocedures voor dit ongeval. BP wist niet wat te doen. Dit is schrijnend, de industriële maatschappij in de 21ste eeuw onwaardig.

De olievervuiling van de Golf van Mexico op 20 april 2010 zal de geschiedenis ingaan als een trieste gevalsstudie van hoe het niet moet, en misschien ook als een keerpunt in de aanpak van milieurampen.

In de eerste plaats is het een geval van extreme lichtzinnigheid ten aanzien van veiligheidsregels en noodprocedures. Gewenning aan veiligheidsvoorschriften leidt snel tot laksheid. Procedures zijn per definitie duur en tijdrovend. Wanneer dan laksheid gecombineerd wordt met kostenbesparingen is een ramp niet ver weg.

De BP-ramp is stilaan ook een schoolvoorbeeld van een totaal gebrek aan kennis van crisiscommunicatie. BP zal in de marketing- en pr-handboeken van onze kleinkinderen worden omschreven als een voorbeeld van hoe het echt niet moet. Een gebrek aan openheid in het begin ten aanzien van de Amerikaanse overheid en een wekenlange publieke onderschatting van het probleem. Ook zag BP onvoldoende de draagwijdte van de ramp in en haar volle verantwoordelijkheid daarvoor.

BP had bijvoorbeeld niet moeten wachten op een ultimatum van de VS om zijn dividend te schrappen. Een dividend uitkeren bij een van de grootste milieurampen in de VS, waarbij BP nog eens met miljardenclaims is opgezadeld, is ook vanuit puur financieel-economisch perspectief onethisch.

DRUPPEL OLIE

Uitspraken en gedrag van BP-topman Tony Haywarth zoals: ‘een druppel olie in de oneindige zee’, ‘ik wil mijn leven terug’ en effe gaan zeilen in volle crisis, zullen in de pr-handboeken van de volgende generatie als onwaarschijnlijk misplaatst en absoluut te vermijden genoteerd staan.

De ramp zal wellicht ook uitgroeien tot een keerpunt in de autonomie van bedrijven om zelf controleprocedures uit te werken en uit te voeren. De VS konden wettelijk niets doen omdat de oliebedrijven het alleenrecht hebben om op te treden, omdat zij zogezegd over de juiste knowhow en het goede materiaal beschikken. Zeker voor de olieindustrie kan die ramp het begin betekenen van een veel grotere overheidscontrole bij al hun activiteiten. Het moratorium om de eerste zes maanden geen diepzeeboringen in de Golf van Mexico meer toe te staan, wordt onverkort gehandhaafd, ondanks een uitspraak van een hof van beroep in de VS. Maar ook bedrijven als het Zwitserse controlebedrijf SGS staan te trappelen om hier een rol te gaan spelen als onafhankelijk controle-instituut voor olieboringen in de diepzee.

De vraag rijst ook hoe de Amerikaanse administratie nu zal staan tegenover de nog altijd sterk betwiste diepzeeboringen voor de kust van Alaska. Het feit dat tijdens de ramp in de Golf ook nog een lek optrad in de 1.280 kilometer lange oliepijpleiding in Alaska - voor 47 procent in handen van BP - zal toekomstige olieboringen in en rond Alaska niet echt bevorderen. Bedrijven als Shell hebben al ruim 3 miljard dollar in de voorbereiding van die olieboring gestoken.

GROENE VINGER

Maar ook Europa blijft niet onbewogen en heeft schrik voor een soortgelijk incident in de Ospar-regio, de noordoostelijke Atlantische Oceaan inclusief de Noordzee. Bij de EU-landen is de controle niet veel beter dan in de VS. Alle grote oliebedrijven werden al geraadpleegd vanuit het Europees Parlement. Ook hier lijkt het erop dat de extreme autonomie van de oliesector aan banden wordt gelegd. De EU heeft trouwens een rijke ervaring met milieuwetten en voorschriften. Met meer controles en uniforme voorschriften bij diepzeeboringen in de Ospar-regio zou de EU enkel het bestaande milieubeleid verbreden. Bovendien beschikt de EU met het European Maritime Safety Agency (EMSA) over een gepast instituut om controle op olieboringen uit te voeren. EMSA ontstond na de ramp in 1999 met de olietanker Erika van Total voor de Bretoense kust.

Opmerkelijk bij de BP-ramp is dat zo’n aanslag op de natuur blijkbaar niet als zo catastrofaal wordt ervaren. We zetten de strijd tegen de opwarming van de aarde en het behoud van de biodiversiteit wereldwijd hoog op de politieke agenda, zeker in de EU. Ook de VS doen stilaan grote stappen naar meer klimaatbesef. We steken nu als het rijke westen al te gemakkelijk de groene vinger op naar landen die de natuur zwaar aantasten door ontbossing en vervuilende emissies. Maar wanneer zich plots zo’n milieucatastrofe aandient in het hart van dat rijke Westen met enkel westerse bedrijven als schuldigen, spreken we vooral over het economische verlies voor vissers en kwekers van schelpdieren, over de werkloosheid en het wegvallen van toeristische inkomsten aan de witte zandstranden van Florida.

De honderdduizenden pelikanen, schildpadden, dolfijnen en andere zeeorganismen zoals kwallen, leveren voorlopig vooral schrijnende beelden op. Bovendien is de schade aan de natuur veel erger in de diepte van de Golf bij het plankton, waar alle zeeleven begint. Hoewel BP het blijft ontkennen, hebben mariene biologen oliepluimen op een diepte van één kilometer ontdekt. Over al die potentiële schade aan de fauna wordt voorlopig nog maar amper gerept. Die schade in de diepzee kan op lange termijn resulteren in schade voor mensen. BP gebruikte miljoenen liters chemicaliën om de olie te bestrijden en te verdunnen. De gevolgen daarvan op de fauna zijn nog niet bekend, maar evenmin op voorhand onderzocht. Gifstoffen in de natuur veroorzaken kettingreacties tot bij de mens, zeker wanneer ze starten bij het plankton, de basis van de mariene voedselketen.

Een maatschappij die de natuur ernstig neemt plakt een schadeclaim op de vervuiling en zeker op het doden van fauna en flora. De kans is groot dat natuurgroepen of milieumaatschappijen zo’n proces in gang zetten voor een rechtbank in de VS. Die claim kan veel hoger uitvallen dan alle bekende economische schadeclaims tot nu toe. En die lopen al op tot vele tientallen miljarden dollars.

PRECEDENT

Bovendien zit BP met een vervelend precedent inzake olievervuiling in de VS. In 2005 zorgde een gecorrodeerde pijpleiding in Alaska voor een lek van één miljoen liter ruwe aardolie. BP ontkende elke beschuldiging dat het lek het gevolg was van onzorgvuldig onderhoud. Het gaat in die gevallen, en misschien ook bij deze catastrofe in de Golf van Mexico, niet meer om een ongeval maar om een misdrijf. Dan gelden niet enkel schadevergoedingen, maar ook boetes en zijn persoonlijke gevangenisstraffen voor wie verantwoordelijk wordt geacht, niet uitgesloten.

BP heeft met deze milieuramp de rol van de overheid als controle-instantie en als eerstelijnshulporganisatie ongewild weer in de verf gezet, zowel in de VS als in Europa. Dat zal zware gevolgen hebben voor de autonomie van de oliesector, maar misschien ook voor andere sectoren waar grote risico’s in het spel zijn.

Guy VAN DEN BROEK is redacteur ondernemingen bij De Tijd.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud