opinie

Paniek om China is niet nodig

Docent economie aan de KU Leuven en de UHasselt

Nader onderzoek leert dat de Chinese cijfers niet zo negatief zijn. Panikeren is dus niet nodig.

Stefan Duchateau, docent economie en adviseur bij Argenta

©Photo News

De spectaculaire buiteling die maandag op de westerse beurzen een spoor van vernieling heeft getrokken, wijst op typisch laatcyclisch beleggersgedrag. Daarbij kunnen onheilsprofeten elk negatief bericht gemakkelijk ombuigen in dramatische koersverliezen, die echter snel herstellen als het bewuste cijfermateriaal wat grondiger onder de loep wordt genomen.

Dat is wat gebeurde met de recente Chinese groeicijfers. De initiële schrikreactie werd uitgelokt op basis van het Caixan-conjunctuurrapport, dat zich in tegenstelling tot de steeds minder geloofwaardige officiële conjunctuurprognose meer richt op exportgevoelige kmo’s en minder op overheidsbedrijven. De in juli ingezamelde cijfers toonden een scherper dan verwachte terugval in de verwachte industriële groei. Ze werden kracht bijgezet door de negatieve ontwikkeling van de meest indicatieve deelindex die de toestroom aan nieuwe orders meet.

In combinatie met de ‘devaluatie’ van de yuan enkele dagen voordien werden de evoluties als een signaal gezien dat de Chinese economie in een moeilijk te stoppen neerwaartse spiraal was beland. Meer was niet nodig om beleggers in de genadeloze armen van de paniek te storten. Zeker toen ook nog bleek dat de Chinese overheid geen enkele maatregel nam om de terugval van de groei te stoppen.

We hebben alle begrip voor de initiële aarzeling van China, waar na enige overweging toch de beleidsrente en de reserveverlichtingen van de banken werden verlaagd. Daardoor kan de Chinese industrie over meer en goedkopere kredieten beschikken. Maar waarschijnlijk hebben de Chinese leiders toch met enige verbazing naar de westerse paniek gekeken, en vooral naar de oppervlakkige analyse die daaraan ten grondslag lag.

Enerzijds was van een devaluatie van de yuan helemaal geen sprake. De Chinese overheid voerde enkel een meer marktconforme aanpassing uit aan haar wisselkoersbeleid, exact zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat enkele weken voordien had opgelegd als toetredingsvoorwaarde tot de selecte club van reservemunten. Zo’n erkenning brengt niet alleen status en prestige met zich mee, maar zal ook de buitenlandse handel in belangrijke mate versoepelen en - last but not least - zal ook dankzij de hiermee gepaard gaande trekkingsrechten, de schuldgraad van China in belangrijke mate verminderen, waardoor de lange termijnrente verder kan afnemen. Dit heeft een veel fundamentelere impact op de Chinese industrie dan de meeste ingrepen die momenteel worden doorgevoerd.

Anderzijds ontstond zo mogelijk een nog groter misverstand. Het intussen beruchte Caixan rapport was helemaal niet negatief voor de totale Chinese economie. De terugslag in de industriële productie was onmiskenbaar en scherper dan verwacht, maar dat was voor een belangrijk deel toe te wijzen aan de terugval in nieuwe orders, wat op zijn beurt moet worden gelinkt aan de voorradencyclus in de VS, die intussen opwaarts is geëvolueerd. Maar veel belangrijker nog is de sterke toename in de verwachte groei van de Chinese dienstensector, die al sinds twee jaar de industrie overtreft in belang.

Aanvaardbaar tempo

De combinatie van beide cijfers geeft aan dat de Chinese economie in een aanvaardbaar tempo verder groeit en wijst er vooral op dat het door de overheid nagestreefde transformatieproces in de gewenste richting evolueert, zij het met horten en stoten. Een dramatisch teruglopende beroepsbevolking, zoals China die de komende 15 jaar tegemoet ziet, gaat niet samen met een industriële economie die gebaseerd op lage lonen en de export van goedkope massaproducten. Want waar haal je tegen dan nog de goedkope werkkrachten vandaan?

Vandaar dat moet worden gezocht naar een beter evenwicht tussen een industriële, exportgerichte industrie gebaseerd op lage lonen en een consumptiegerichte economie, met een grotere nadruk op de dienstensector en een industrie die meer gericht is op kwalitatieve producten. Een sterke muntpolitiek, naar Duits model, past idealiter in zo’n beleid.

Het risico is echter dat momenteel de industrie te abrupt zou worden afgekoeld. Daarom heeft de overheid voor alle zekerheid de beleidsrente verder verlaagd om het oplopen van de werkloosheid en het ontstaan van overcapaciteit tijdig bij te sturen.

Er is geen enkel verband te vinden tussen economische groei en beursprestaties.

Westerse beleggers dienen zich alleszins in te stellen op een lagere, maar stabielere Chinese groei, als gevolg van een gewenst en begrijpelijk beleidsmodel. Maar laat dat u als belegger niet afschrikken. Het is een misvatting dat je moet beleggen in een regio met een hoge groei. Er is geen enkel verband te vinden tussen economische groei en beursprestaties. Vandaar dat groeilanden over langere periodes ook mindere beursprestaties neerzetten in vergelijking met de geavanceerde landen. Hier kan dus verandering in komen in de toekomst …

Door Stefan Duchateau, doceert economie aan de KULeuven, HUBrussel en UHasselt en is adviseur bij Argenta.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud