Politieke verontwaardiging over voorwaardelijke invrijheidstelling is populistische stap te ver

Er is een pak beroering over de voorwaardelijke invrijheidstelling van Michèle Martin. Maar de verontwaardiging die nu opstijgt uit de politieke wereld is dwaas en ongepast. Moet de wetgeving in vraag gesteld worden, of moet de wetgever zichzelf in vraag stellen? De strafuitvoeringsrechtbanken werken goed, laat hen vooral de wetten respecteren.

Door Walter Damen, advocaat.

De slachtoffers in de zaak Dutroux eisen een centrale rol op door zich heftig te verzetten tegen de voorwaardelijke invrijheidstelling van Michèle Martin. Vanuit de slachtofferzijde kan ik begrijpen dat men boos, zelfs woedend is. De slachtoffers hebben het recht om zich over dergelijke ingrijpende maatregelen kwaad te maken en hun onmacht uit te schreeuwen. Zij zijn immers betrokken partijen en van hen mag en kan je geen juridisch begrip verwachten.

Ik heb het echter bijzonder moeilijk met de verontwaardiging van politici en andere ‘professionelen’ in het kader van ons rechtssysteem.

Sinds de zaak Dutroux heeft men eindelijk werk gemaakt van een systeem waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling op een gecontroleerde wijze gebeurt. Het is begonnen met een commissie voorwaardelijke invrijheidsstelling en is uiteindelijk geëvolueerd naar de huidige strafuitvoeringsrechtbank. Deze bestaat uit professionele magistraten die op hun beurt worden ingelicht door de psychosociale dienst van de gevangenis, de gevangenisdirecteur en het Openbaar Ministerie. De slachtoffers kunnen afzonderlijk gehoord worden. Die hebben over het algemeen (terecht) maar één wens: dat de dader(es) in de gevangenis blijft.

Nadat de strafuitvoeringsrechtbank kennis heeft genomen van al deze adviezen en het leefplan (werk, vergoeding, huisvesting,…) grondig heeft bestudeerd, kan zij beslissen over hetzij een beperkte detentie (overnachten in de gevangenis), een elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidstelling onder strikte voorwaarden.

De tumult en heisa die nu uit de politieke wereld voortkomt is dwaas en ongepast. De politici (wetgevende macht) hebben deze wet zelf geschreven. Zij gingen zelfs nog een stap verder door de strafuitvoeringsrechtbank ook bij straffen onder de drie jaar in werking te stellen, maar zijzelf falen om daar een uitvoeringsbesluit over te nemen.

Nu moord en brand schreeuwen omdat een aantal magistraten de wet toepassen die politici zelf hebben geschreven, wars van de publieke opinie, is een populistische stap te ver. De verkiezingskoorts hangt duidelijk in de lucht: plotseling gaan zij de wet aanpassen. Ze zouden er beter werk van maken om hun eigen wetten van kracht te laten worden.

Tenzij de huidige politici zeggen dat iemand dan maar zijn ganse straf moet uitzitten om dan van de ene dag op de andere vrij te zijn zonder begeleiding of voorwaarden. Wedden dat zij dan terug op de barricaden staan om hun eigen wetgeving in vraag te stellen? Want uiteindelijk is dat de ganse kwestie: moet de wetgeving in vraag worden gesteld of moet de wetgever zichzelf in vraag stellen?

Ik kan u verzekeren dat de huidige strafuitvoeringsrechtbanken op een zeer correcte en integere wijze hun werk verrichten. Laat hen dan ook, binnen hun wettelijke bevoegdheid, de wetten respecteren.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud