Advertentie

Verkrampte sociale partners

©Saskia Vanderstichele

De gespannen discussie over de toepassing van de nieuwe index illustreert dat het overleg tussen de sociale partners tegen Belgische en Europese limieten botst. Ook staatshervormingen werden door hen afgeremd, om niet te zeggen bekampt. Maar uitgerekend die strakke houding heeft gaandeweg het federaal sociaal overleg uitgehold.

De indexcommissie, bevolkt door vertegenwoordigers van de vakbonden, de werkgevers en academici, heeft eind vorig jaar haar imprimatur verleend aan de nieuwe berekeningsmethode voor de verbruikersprijsindex die nauwer moet aansluiten bij het consumptiegedrag. In tegenstelling tot de vorige indexkorf, die jarenlang werd meegezeuld en bijgevolg op den duur een vertekend beeld gaf van het koopgedrag, zal de nieuwe jaarlijks worden aangepast.

De vorige index had 2004 als referentieperiode. De nieuwe index vertrekt bij 2013 en sluit beter aan bij de internationale inflatiemeting en bij de cijfers van Eurostat, de leverancier van statistisch materiaal voor de Europese Commissie. Maar prompt ontstond een oeverloze discussie tussen de sociale partners over de coëfficiënt die zal worden gehanteerd voor de spilindex. Hoe hoger die coëfficiënt, des te langer duurt het vooraleer een indexering volgt van de lonen en de uitkeringen. De bonden rekenen op een aanpassing eind dit jaar. De nieuwe index vertraagt de indexering tot 2015. Wat volgens de werknemers neerkomt op een feitelijke indexsprong, en dat is in die kringen een vies woord.

De federale regering en de sociale partners hadden zich veel gebakkelei kunnen besparen, mocht men al veel eerder de index hebben ingevoerd die de Europese Centrale Bank hanteert voor België. Dat is een index die volgens specialisten nauwer aansluit bij het reële consumptiepatroon.

Maar de gespannen discussie over de toepassing van de nieuwe index illustreert alleszins dat het overleg tussen de sociale partners tegen Belgische en Europese grenzen botst. De jongste tijd werd al vaker geopperd dat het sociaal overleg, dat alleen gedijt als de federale regering met geld voor de dag komt, op sterven na dood is. Die conclusie is misschien wat voorbarig, althans volgens enkele betrokkenen. Toch zijn er tekenen die erop wijzen dat het federaal sociaal overleg op uitzichtloze sporen zit.

Zo wordt het stilaan een jaarlijks ritueel dat de vertegenwoordigers van de twee grote vakbonden in de regentenraad weigeren bepaalde passages van het jaarverslag van de Nationale Bank van België te ondertekenen. Nu al valt in vakbondskringen te vernemen dat Rudy De Leeuw, de aanvoerder van de socialistische vakbond ABVV, en van Marc Leemans, de voorzitter van de christelijke vakbond ACV, bezwaren maakten tegen delen van het jaarverslag van de Belgische centrale bank dat eerstdaags wordt voorgesteld.

Remmende houding

De jongste jaren viel al te merken dat de inleidingen bij de opeenvolgende jaarverslagen van de centrale bank omzichtig waren gesteld, althans veel minder stellig dan sommige studies in het Economisch Tijdschrift dat door de instelling wordt uitgegeven.

Hier speelden de afgelopen jaren onmiskenbaar de erg precaire economische en financiële situatie een rol. Maar er is ook de toenemende remmende invloed van leden van het directiecomité van wie de meesten een duidelijk politiek rugnummer dragen, en vooral van de vertegenwoordigers van de twee grote vakbonden die een bijzondere gevoeligheid aan de dag leggen.

Ook andere adviesraden, waarin de sociale partners vertegenwoordigd zijn of die politiek gelieerd zijn, vallen de jongste jaren op door de omzichtigheid waarmee hun verslagen en studiewerk worden verwoord. Een opmerkelijk werkstuk was het verslag van de zogenaamde Expertengroep Concurrentievermogen en Werkgelegenheid. Enkele opstellers van die gewichtige studie bekenden achteraf dat ze het eigenlijk niet eens waren met sommige conclusies die, kennelijk onder politieke druk, toch waren opgenomen in het zo al voorzichtige verslag.

Het verklaart het tanende vertrouwen in die instellingen, die worden geacht in alle onafhankelijkheid de overheid deskundig te adviseren. De remmende houding van de sociale partners, en vooral van de vakbonden, is een poging om de illusie van het federaal sociaal overleg in stand te houden.

In een recente tekst van het ABVV over het regionaal sociaal overleg na de bevoegdheidsoverdracht door de zesde staatshervorming, klonk het haast als een alarmkreet: ‘Het regionaal sociaal overleg moet complementair zijn aan het federaal sociaal overleg dat uitermate belangrijk blijft, omdat loon en arbeidsvoorwaarden, cao’s en arbeidsrecht terecht federale materie zijn gebleven. Het kan geenszins de bedoeling zijn pakweg het federale IPA-overleg stokken in de wielen te steken.’

Vooral de werknemers hebben de jongste jaren nogal wat treinen gemist. De Europese is er een van: de bonden hebben nooit geïnvesteerd in een Europese vakbond. De opmerking kwam van Gilbert De Swert, gewezen hoofd van de studiedienst van het ACV, die er in een gesprek met dewereldmorgen.be aan toevoegde: ‘Het Europees vakverbond wordt voor 80 procent gefinancierd door de Europese Commissie. Als de Europese Commissie morgen beslist om de geldkraan dicht te draaien, is het gedaan met het Europees Vakverbond.’

En dat terwijl uitgerekend Europa volstrekt legale omwegen aanreikt die toelaten dat bepaalde sectorale loonakkoorden al geschonden worden, nog voor de inkt van de handtekeningen is gedroogd. Overal te lande worden vandaag op sommige grote bouwwerven lonen betaald die ver beneden het wettelijke minimum liggen. De inspectiediensten krijgen de zaken nog amper onder controle.

Ook de opeenvolgende staatshervormingen werden vooral door de Vlaamse vertegenwoordigers van de sociale partners telkens afgeremd, om niet te zeggen bekampt. Alleen de Boerenbond heeft een tijd geleden al een koerswijziging ingezet, aangestuurd door voorzitter Piet Vanthemsche, die geleerd door zijn kabinetservaring besefte dat die constitutionele verbouwing van het land onomkeerbaar is. Want het is met staatshervormingen zoals met tandpasta: eens uit de tube, krijg je die daar niet meer in.

De Waalse sociale partners schatten de situatie correcter in. De eerste die daar over regionale sociale akkoorden begon, was Thierry Bodson, kopstuk van de Waalse FGTB. Eind vorig jaar al werd de Groupe des Partenaires Sociaux de Wallonie (GPS-W) geïnstalleerd, voorgezeten door Vincent Reuter, die tevens voorzitter is van de Union Wallonne des Entreprises (UWE). De socialprofitsector, de belangrijkste werkgever, werd meteen bij het overleg betrokken.

Concurrentie

In Vlaanderen, dat voor een aantal omwentelingen staat, moeten ze aan die oefening nog beginnen. En men kan daar maar beter wat haast mee maken. Om te beginnen moet de grote overdracht van bevoegdheden worden opgevangen die met de zesde staatshervorming gepaard gaat. Het zal daarbij niet volstaan, wat sommigen hopen, om een copy/paste van het Belgische voorbeeld door te voeren, want er moet tegelijk ook fors worden bespaard.

Bovendien blijft het concurrentievermogen een Vlaams probleem, veel meer dan voor Brussel en vooral voor Wallonië met zijn gesloten economie. De vaststelling van Siemens-topman André Bouffioux gisteren in De Tijd, was bijzonder pijnlijk: ‘Als het deze regering menens was geweest met onze concurrentiekracht, dan had ze drie jaar geleden al maatregelen genomen.’

De discussie over de nieuwe index zal naderhand een borrelpraatje lijken naast de problemen die Vlaanderen wacht in de petrochemie, een van haar economische sterkhouders, als gevolg van de schaliegasconcurrentie. De Vlaamse sociale partners kunnen maar beter het Waalse voorbeeld volgen en nu al werk maken van intens regionaal overleg, willen ze rampspoed voorkomen, zoals die in de autoassemblage.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud