Werken aan meer prijsstabiliteit is een absolute noodzaak.

©BELGA

De tijd dat Europa de landbouwprijzen bepaalde, is al jaren voorbij. Met de hervorming die de Ierse eurocommissaris MacSharry in 1992 doorvoerde, heeft de Europese Commissie zich stelselmatig teruggetrokken uit het actieve beheer van de Europese landbouwmarkt.

Door Piet Vanthemsche, voorzitter Boerenbond

Vandaag worden de prijzen van de belangrijkste landbouwgrondstoffen zoals granen, oliehoudende zaden, soja, enz. bepaald op de wereldmarkt. De vraag wordt gestuurd door een groeiende wereldbevolking en een toenemende welvaart gekoppeld aan een wijzigend voedingspatroon in vele opkomende landen en een stijgend alternatief gebruik van landbouwgrondstoffen. Aan de aanbodzijde staan we voor een enorme uitdaging. Stagnerende rendementen, een dalende beschikbaarheid van grondstoffen en last but not least de klimaatverandering maken dat het aanbod niet altijd volgt: globaal te weinig of op de verkeerde plaats. Gevolg: stijgende grondstoffenprijzen wereldwijd.

De recente landbouwvooruitzichten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) maken melding van hoge en schommelende prijzen voor landbouwgrondstoffen. Dat is problematisch. Want de grootste bedreiging - bij gebrek aan voldoende voorraden wereldwijd - is de verscheidenheid in opbrengst als gevolg van het weer. De minste weersschommeling maakt de landbouwmarkten zenuwachtig. Het prijsniveau blijft naar alle verwachting niet alleen hoog de komende tien jaar, maar het zou blijven stijgen met gemiddeld 10 à 30 procent. De hogere olieprijzen zijn daar een fundamentele factor in.

Ondanks de hoge prijzen wordt slechts een langzame productiegroei verwacht. ‘De afgelopen tien jaar is de wereldwijde productie jaarlijks met 2 procent toegenomen’, zeggen de OESO en de FAO. ‘De groei zal de komende tien jaar naar verwachting afnemen tot 1,7 procent.’ De belangrijkste uitdaging voor de wereldwijde landbouw is hoe de productiviteit op een duurzamere manier verhoogd kan worden om te voldoen aan de toenemende vraag naar voedingsmiddelen, voeder, brandstof en vezels. Anders gezegd, hoe kunnen we meer produceren met minder.

De landbouwproductie moet de komende 40 jaar met 60 procent groeien op wereldvlak om aan die toenemende vraag te voldoen. Dat betekent vanaf 2050 1 miljard ton graan en 200 miljoen ton vlees meer per jaar, vergeleken met het niveau van 2005/07.

Armoedegrens

Hoge grondstoffenprijzen hebben in de eerste plaats een grote impact op de allerarmsten in de wereld. Meer dan 1 miljard mensen leven onder de armoedegrens. Een hogere graanprijs is voor de meeste Belgen niet dramatisch (het aandeel van graan in de kostprijs van brood is klein), maar wordt des te harder gevoeld door mensen met weinig koopkracht die overleven op een basisdieet van granen. In Europa en de VS spenderen we gemiddeld 12 procent van ons budget aan voedsel. In Tunesië en Egypte is dat ruim 30 procent, in Sub-Sahara-Afrika tot 60 procent en meer. Elke prijsverhoging van het basisvoedsel voelen die miljoenen mensen onmiddellijk in hun portemonnee. De armen krijgen de ergste schokken te verduren in deze voedselonzekere tijden: speculeren op duur voedsel is dus een immorele activiteit.

Het is bijna een jaar geleden dat de Fransen concrete voorstellen deden op de G20-landbouwtop. Het Franse G20-actieplan was in grote lijnen opgebouwd rond vier punten. Het eerste is meer transparantie over voorraden. Europa heeft op dat vlak een achterstand op de rest van de wereld. Publieke voorraden werden in Europa stelselmatig afgebouwd vanuit een blind geloof in de liberalisering van de markten. De voorbije tien jaar ging Europa er ten onrechte van uit dat de vrijmaking van de landbouwmarkten automatisch zou leiden tot een billijke verdeling van de grondstoffen. Dat zal nooit werken. Om voorraden beter te monitoren wilde Frankrijk een gemeenschappelijke databank opzetten, naar het voorbeeld van de oliemarkten. Het zou goed zijn als dat resulteert in een onafhankelijk, mondiaal agentschap met serieuze bevoegdheden, dat toezicht houdt op de markt van landbouwgrondstoffen: een soort ‘voedsel-IMF’.

Een tweede actiepunt is een betere samenwerking tussen de leden van de G20 door het uitwerken van een ‘early warning system’ dat landen gebruiken om problemen in een vroeg stadium te signaleren.

Een derde punt is een betere ondersteuning van de minst ontwikkelde landen, onder andere door plaatselijk voorraadbeheer en door hen de mogelijkheid te geven hun plaatselijke, kritische landbouwsystemen af te schermen van de goedkope import. Het vierde en laatste actiepunt gaat over de regulering van de markten van de landbouwgrondstoffen om speculatie aan banden te leggen.

Zoals iedereen weet, heeft de G20 geen beslissingen genomen. Overheden moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Want een beleid voor voedselzekerheid is bij uitstek een veiligheidsbeleid. Een regio die er niet in slaagt haar bevolking veilig en betaalbaar voedsel te bieden, stevent af op instabiliteit en voedselrellen.

Vlaamse landbouw

Wat betekent dat voor de Vlaamse landbouw? Hogere grondstoffenprijzen zijn voor onze akkerbouwers een zegen, voor onze veehouders een vloek. De impact op de kostenstructuur van de veehoudersbedrijven is enorm. Als ze er niet in slagen de stijging van hun grondstoffen door te rekenen aan de klanten, dan stevenen we op een economisch kerkhof af, niet alleen voor de landbouw, maar ook voor onze voedingsindustrie die mee aan de basis ligt van de Vlaamse welvaart.

Europa moet dan ook zijn verantwoordelijkheid opnemen. We behoren tot de regio’s die uitermate geschikt zijn voor voedselproductie zowel wat klimaat en neerslag als de bodemgesteldheid betreft. We hebben op zijn minst de morele verantwoordelijkheid dat landbouwpotentieel in stand te houden en te benutten. Dat is ook de stelling van de FAO die dat bevestigde op een conferentie over de toekomst van het Europese gemeenschappelijke landbouwbeleid.

Door de stijgende landbouwprijzen lijkt de toekomst voor onze akkerbouwers gebetonneerd. Maar elke medaille heeft twee kanten. Niet alleen de prijzen voor landbouwproducten stijgen. Ook de prijzen voor de benodigde grondstoffen (zaaizaad, plantgoed en meststoffen) doen dat en wel sneller. De marges staan dus zwaar onder druk.

Daarenboven is er een grote politieke vastberadenheid om de voedselprijzen laag te houden. Een belangrijke oorzaak van ondervoeding is niet zozeer het gebrek aan voldoende voedsel maar een gebrek aan middelen om voldoende voedsel te kopen. Stijgende voedingsprijzen verscherpen dat probleem. Beleidsmakers stellen dus alles in het werk om dat te vermijden, en de retail speelt daar graag op in. Boeren die zich verenigen in de hoop de gestegen kosten door te rekenen en leefbare marges te behouden zijn eraan voor de moeite. Tenzij het beleid andere keuzes maakt. Leefbare landbouw en betaalbaar voedsel zijn twee doelstellingen die een intelligente mix aan instrumenten vragen. Europa zet (te) schuchtere stappen naar meer samenwerkingsmogelijkheden voor boeren zodat ze hun gestegen kosten beter kunnen doorrekenen. Anderzijds bouwt het zijn sociaal voedingsbeleid af.

Bedreiging

De te kleine marges en de sterke volatiliteit vormen een belangrijke bedreiging voor de duurzame ontwikkeling van de landbouwsector. De stijgende prijzen moeten boeren aanzetten om meer te produceren, maar de krimpende marges geven tegengas. Daarbovenop komt de sterke volatiliteit die het marktsignaal helemaal onduidelijk maakt. Werken aan meer prijsstabiliteit is een absolute noodzaak. Ook de FAO ziet die bedreiging in en roept de EU op meer verantwoordelijkheid te nemen. Het is dan ook de grootste lacune in de voorstellen voor de toekomst van het Europese gemeenschappelijke landbouwbeleid. Over de volatiliteit en de maatregelen om er tegenin te gaan, wordt in alle talen gezwegen.

Europa heeft een heilige schrik gepakt van zijn te lang volgehouden ongecorrigeerde interventiebeleid en de daaruit voortvloeiende overschotten, en is nu bang van zijn eigen schaduw. Een aanpassing van de interventieprijzen aan de gestegen kosten is uit den boze en strategisch voorraadbeheer is des duivels. Daarmee veronachtzaamt Europa een belangrijke doelstelling van zijn landbouwbeleid naast de voedselzekerheid: de stabilisatie van de landbouwmarkten. Bij gebrek aan moed wordt de paraplu opengetrokken en wordt er doorverwezen naar het globale niveau.

Dagelijks zet de landbouwsector in op meer efficiëntie en een betere productiviteit. Maar daarmee alleen zullen we het niet redden, wat de vrijemarktvolgelingen er ook van denken. De landbouwmarkten vragen economische en sociale correcties. Het is dus aan de overheid om haar verantwoordelijkheid op te nemen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud