Babylonische spraakverwarring

Hoogleraar economie UGent

Er is heel wat deining ontstaan over het onverwachte voorstel van minister van Financiën Johan Van Overtveldt in De Tijd om de vennootschapsbelasting te verlagen. Toen in het debat ook de termen vlaktaks en Laffercurve vielen, werd het er zeker niet duidelijker op.

Koen Schoors, Professor economieaan de Universiteit Gent

De minister stelde voor bedrijven te laten kiezen tussen 34 procent vennootschapsbelasting met behoud van aftrekposten, of een lager tarief van 20 of 22 procent zonder aftrekposten. Hij voegde eraan toe dat hij het niet uitgesloten achtte dat de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting zou leiden tot een verhoging van de inkomsten, naar analogie met wat eerder gebeurde met de Vlaamse successierechten. Helaas was de aankondiging gehuld in een flou artistique. Dat werd er niet beter op toen in de reacties ook de begrippen vlaktaks en Laffercurve vielen.

De vennootschapsbelasting is, hoewel in theorie een vlaktaks, in de realiteit een bijzonder onrechtvaardige en onaanvaardbaar degressieve belasting die de kleintjes proportioneel het zwaarst treft.

Het begrip vlaktaks wordt in deze context op een erg verwarrende en feitelijk foute manier gebruikt. Bij een progressieve belasting wordt een hoger belastbaar inkomen belast tegen een hoger tarief. Bij de inkomstenbelasting ben je bijvoorbeeld een hogere belastingvoet verschuldigd naarmate je inkomsten in een hogere inkomstenschaal vallen. Bij een vlaktaks daarentegen is de nominale belastingvoet identiek voor elke belastingplichtige, onafhankelijk van de omvang van de belastbare basis. De vennootschapsbelasting was dus al lang voor de voorgestelde hervorming een vlaktaks. Het tarief was 34 procent, en het voorstel is om dat te verlagen naar 20 procent, maar dat was en blijft in principe onafhankelijk van de omvang van de belastbare winst.

Belastbare basis

Een belastingverlaging doet de inkomsten van de belasting slechts stijgen als de belastbare basis als reactie meer dan proportioneel stijgt, bijvoorbeeld omdat er meer economische activiteit ontstaat of omdat meer economische activiteit in het officiële circuit gebeurt. De suggestie van de minister dat de belastinginkomsten door de daling van het tarief misschien wel zullen stijgen, het beruchte Laffercurve-effect, veronderstelt dus dat de voorgestelde daling van de belastingvoet met meer dan 40 procent (van 34% naar 20%) zal gecompenseerd worden door een stijging met ruim meer dan 40 procent van de belastbare winsten. We kunnen dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid klasseren als een aangename illusie. Een daling van de vennootschapsbelasting zal wel degelijk geld kosten, hoewel niet precies vaststaat hoeveel omdat er een beperkt terugverdieneffect kan zijn.

Een daling van de vennootschapsbelasting zal wel degelijk geld kosten, hoewel niet precies vaststaat hoeveel omdat er een beperkt terugverdieneffect kan zijn.

Deze begripsverwarring ontstaat ook omdat de effectieve belastingvoet - de effectief betaalde belasting gedeeld door de effectieve winst - verre van een vlaktaks is. De kleine garnalen betalen effectief iets dat dicht bij 34 procent aanleunt, omdat ze van weinig fiscale aftrekken genieten. Sommige grote multinationals daarentegen genieten van een reeks op hun maat gesneden aftrekken die zo genereus zijn dat de effectieve belastingvoet tot bijna nul procent terugvalt. Daardoor is de vennootschapsbelasting, hoewel in theorie een vlaktaks, in de realiteit een bijzonder onrechtvaardige en onaanvaardbaar degressieve belasting die de kleintjes proportioneel het zwaarst treft. Maken grote bedrijven dan geen gebruik van publieke goederen, zoals een stabiele staat, transportinfrastructuur, veiligheid en goed opgeleide werknemers, dat ze menen niets te hoeven betalen?

Verschuiving

Misschien beoogt de minister met zijn voorstel de effectieve vennootschapsbelasting vlakker te maken? Dat kan door de kleintjes, die toch vrijwel niets kunnen aftrekken, een lager tarief van 20 procent te laten betalen op een vrijwel onveranderde winst. De grotere betalen in deze lezing van het voorstel dan iets meer. Enerzijds omdat een aantal aftrekken en gunstregimes waar ze vooral van genieten onder terechte Europese druk worden afgebouwd en hun belastbare winst dus stijgt, maar anderzijds dat deels wordt opgevangen door de verlaging van het tarief. Als dat de bedoeling is kan ik het alleen maar toejuichen. Het gaat dan om een verschuiving van de vennootschapsbelasting, een taxshift van kleine bedrijven naar multinationals die de vennootschapsbelasting minder degressief en dus rechtvaardiger maakt, en dat in een Europese context die dat volledig terecht stimuleert.

Ik kan het uitstekend idee van de minimale vennootschapsbelasting aanraden

In dat kader kan ik trouwens het uitstekend idee van de minimale vennootschapsbelasting aanraden. Elk bedrijf, welke ook de gunstregimes of aftrekken zijn, draagt dan altijd minstens bijvoorbeeld 10 procent van zijn effectieve winst af in de vorm van vennootschapsbelasting. Een combinatie van een lager officieel belastingtarief en een minimale belasting zou leiden tot de gewenste belastingherverdeling en bovendien een deel van de problemen met Europa oplossen, omdat het concurrentievervalsende karakter van veel gunstregimes dan in belangrijke mate zou verdwijnen. Hoewel de progressieve origine van het idee de minister kan tegenstaan, raad ik hem aan de wijze woorden van Deng Xiaoping in gedachten te houden: het doet er niet toe of de kat wit of zwart is, zolang ze maar muizen vangt.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud