De pensioenuitgaven stijgen te snel

Andreas Tirez

Volgens alle criteria stijgen de pen­sioenuitgaven in de toekomst te snel. Bijkomende maatregelen zoals een pensioen met punten zijn nodig en bestaande maatregelen zoals het verhogen van de pensioenleeftijd moeten versneld ingevoerd worden.

Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) presenteerde maandag zijn oriëntatienota over het pensioen met punten aan de sociale partners. De details zijn me nog niet duidelijk, maar dit nieuwe systeem zou de pensioenen meer afhankelijk moeten maken van de arbeidsprestaties in het verleden en de productiviteitsgroei. Het systeem met punten is zonder twijfel een van de belangrijkste aanbevelingen van de Pensioencommissie onder leiding van Frank Vandenbroucke.

De lagere economische groei van de voorbije jaren is niet doorgesijpeld naar de pensioenuitgaven, en dat zal ook in de toekomst niet gebeuren als het beleid niet verandert.

De link tussen pensioenen en de geproduceerde welvaart is er nu niet. Dat is goed te zien op de grafiek. De oranje lijn toon de pensioenuitgaven in procenten van het bruto binnenlands product (bbp). De zwarte lijn geeft het aandeel 65-plussers van de totale bevolking. De gegevens zijn gebaseerd op het verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing van 2016. De periode in de grafiek loopt van 2000 tot 2040, waarbij de cijfers voor 2016 en later een projectie van de Studiecommissie zijn.

©Mediafin

Je zou kunnen verwachten dat bij ongewijzigd beleid de pensioenuitgaven niet meer stijgen dan het aandeel 65-plussers. Maar dat is niet wat er te zien is. Van 2007 tot 2009 maken de pensioenuitgaven een sprong van 1 procentpunt van het bbp, van 8,6 procent naar 9,6 procent. Dat komt niet door een plots veel guller pensioenbeleid, maar door de economische crisis. Daardoor ging het bbp in die periode 1,5 procent achteruit in plaats van zoals normaal ongeveer 2 procent te groeien. Dat geeft een verschil van 3,5 procent. De pensioenuitgaven werden echter niet aangepast.

©Twitter

Dat is overigens een goede economische praktijk. Door de overheidsuitgaven niet onmiddellijk aan te passen aan de economische activiteit vermijd je dat de economische crisis nog dieper wordt. Maar het is wel belangrijk dat de overheidsuitgaven na de crisisperiode weer normaliseren.

Kloof

En dat is voor de pensioenuitgaven dus niet gebeurd. De lagere economische groei van de voorbije jaren is niet doorgesijpeld naar de pensioenuitgaven, en dat zal ook in de toekomst niet gebeuren als het beleid niet verandert. Daardoor groeien de pensioenuitgaven gevoelig meer dan het aandeel 65-plussers, zoals ook te zien op de grafiek. Hadden de pensioenuitgaven dezelfde groei gekend als het aandeel 65-plussers, dan lagen in 2017 de pensioenuitgaven 1,2 procent van het bbp lager dan nu. En die kloof stijgt nog tot 1,5 procent in 2024.

Om de uitgaven terug te brengen naar de historische trend kan men de hoogte van de pensioenen aanpassen. Dat is haalbaar voor de relatief hoge ambtenarenpensioenen, maar veel minder evident voor de werknemers- en zelfstandigenpensioenen.

De verhoging van de pensioenleeftijd tot 66 en later tot 67 jaar geldt pas vanaf respectievelijk 2025 en 2030. Daardoor verlagen de pensioenuitgaven met telkens ongeveer 0,5 procentpunt. Dat zou eigenlijk sneller moeten gaan

Een tweede oplossing is langer werken. Dat is wat deze federale regering al beslist heeft, met een verhoging van de pensioenleeftijd tot 66 en later tot 67 jaar. Maar dat geldt pas vanaf respectievelijk 2025 en 2030, zoals de twee knikjes in de grafiek tonen. Daardoor verlagen de pensioenuitgaven met telkens ongeveer 0,5 procentpunt. Dat zou eigenlijk sneller moeten gaan. Als die maatregel vijf jaar eerder genomen wordt, dus in 2020 en 2025, geeft de overheid cumulatief 5 procent minder uit en kan de schuldratio verder afgebouwd worden.

En zoals de grafiek toont, brengt zelfs werken tot 67 jaar de pensioenuitgaven nog niet op hetzelfde groeiniveau als het aandeel 65-plussers. Bovendien is het nog maar de vraag of de pensioenuitgaven überhaupt die groei moeten volgen en of het niet nog lager moet (waarbij de oranje curve dan onder de zwarte komt te liggen). Die vraag krijgt nauwelijks aandacht.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content