De Brusselse geldautomaat

Niet alleen de veiligheidsproblemen en de tunnelperikelen in het Brussels Gewest zijn aanwijzingen dat het Belgische overlegmodel opnieuw dreigt vast te lopen. Ook de bijeenkomsten van het Overlegcomité worden steeds grimmiger.

Er bestaat een groot misverstand. Een regering is geen verzameling van redelijke mannen en vrouwen die samen beslissingen nemen in het algemeen belang, op grond van weldoordachte en onderbouwde afwegingen. De Brusselse hoofdstedelijke regering is de beste illustratie van dat misverstand.

De totstandkoming van het Hoofdstedelijk Gewest was het resultaat van een politiek handjeklap tussen de CVP’er Jean-Luc Dehaene en de PS’er Philippe Moureaux. Dehaene maakte daar in zijn memoires geen geheim van. Tijdens de formatie van de laatste regering van Wilfried Martens kreeg Moureaux in 1989 zijn Hoofdstedelijk Gewest. In ruil werd José Happart door de Franstalige socialisten naar zijn Voerens mandje gestuurd en werden ook een aantal Franstalige aanspraken op de Brusselse rand gemilderd.

Het Hoofdstedelijk Gewest, met de nodige bescherming van de Nederlandstaligen in Brussel, werd een van de sluitstukken van de derde staatshervorming. Er mocht dan wel een klein verschil bestaan tussen de gewestelijke decreten en de hoofdstedelijke ordonnanties, toch werd het Brussels Gewest van meet af door de Franstaligen als een volwaardig gewest beschouwd.

Dehaene geloofde niet in een fusie van de 19 Brusselse gemeenten. Als het is om na de fusie districten te vormen, zoals in Antwerpen, dan kan men de gemeenten beter laten bestaan, vond hij. Hij geloofde ook niet in de voogdij van de twee taalgemeenschappen over Brussel. Het Hoofdstedelijk Gewest kon alleen maar gezamenlijk worden bestuurd door de Franstalige en de Nederlandstalige Brusselaars. Dehaene oordeelde overigens dat de Vlamingen hun hoofdstad onvoldoende kennen en geen inzicht hebben in de Brusselse grootstedelijke problemen.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft jammer genoeg nooit behoorlijk gewerkt. Het leefde van meet af aan boven zijn stand. Al snel bleek dat het alleen kon overleven met de steun van de twee gemeenschappen. Wat Dehaene niet wilde inzien, wisten ze in Wallonië kennelijk al veel langer. In 1947 legde de Waalse socialist Marcel-Hubert Grégoire een voorstel neer om België om te vormen tot ‘een Confederatie gevormd door twee gewestelijke staten, Vlaanderen en Wallonië, en door het federaal gewest Brussel’.

Vandaag is de hoofdstedelijke lappendeken van gemeenten een wingewest voor de grote Franstalige politieke partijen, die zich daar dan ook royaal bedienen. Hun mandatarissen leven goed in Brussel. Dat geldt voor de 19 burgemeesters en hun schepenen, maar vooral voor de liefst 89 Brusselse parlementsleden die maandelijks recht hebben op 6.600 euro, plus een kostenvergoeding. Een Brussels minister krijgt net geen 10.000 euro. Maar die beschikt behalve over een forse kostenvergoeding over auto’s met chauffeur en een pool van medewerkers.

De hoofdvogel is voor de voorzitter van het Brussels Parlement, dat veelal aan bezigheidstherapie doet. De voorzitter, op dit moment gewezen Brussels minister-president Charles Picqué, die ook PS-burgemeester is van Sint-Gillis, ziet maandelijks 12.000 euro op zijn bankconto verschijnen. Na zijn mandaat heeft hij recht op een afscheidsvergoeding van 350.000 euro en enkele jaren bijstand van twee secretaresses om zijn overstap naar het gewone burgerleven te vergemakkelijken. Sommigen vinden dat bescheiden vergeleken bij de 560.000 euro die zijn partijgenoot José Happart opstreek als aftredend voorzitter van het Waals Parlement.

Gouvernante

Het Brussels Gewest is een geldautomaat, gevoed door onder meer Beliris, het samenwerkingsakkoord dat eind januari 1989 werd gesloten. Dat voorzag in een jaarlijkse bijdrage van 50 miljoen euro om het Brussels Gewest toe te laten zijn internationale rol en hoofdstedelijke functie te vervullen. Dat bedrag is intussen opgelopen tot 125 miljoen euro per jaar.

Tien jaar stond Laurette Onkelinx, toen nog vicepremier in de federale regering, aan het hoofd van Beliris. Vandaag zit Didier Reynders er aan de knoppen. En deze week merkte hij tussen neus en lippen op dat Beliris precies tien jaar geleden fors betaalde voor ‘de beveiliging’ van de nu veelbesproken Stefaniatunnel onder de Louizapoort. Die ging een tijd dicht, met bovengrondse verkeersellende tot gevolg. De tunnel zou opnieuw onveilig zijn, amper tien jaar nadat daar beveiligingswerken zouden zijn uitgevoerd.

De waarheid is dat behalve wat opkalefateren al die jaren niets aan de veiligheid van de tunnels werd gedaan. Ondanks de herhaalde waarschuwingen van onder anderen Véronique Paulus de Châtelet, tot voor kort Brussels gouverneur - jawel, het Brussels Gewest heeft ook nog een Franstalige gouverneur en een Nederlandstalige vicegouverneur. Paulus de Châtelet, eveneens PS, werd door haar eigen partij weggehoond als ‘de gouvernante’ telkens als ze over de veiligheid in de tunnels begon. Met haar opmerkingen en met de nota’s van Brussel Mobiliteit over de nakende tunnelproblemen werd nooit rekening gehouden.

Waar al dat geld van Beliris de afgelopen jaren dan wel naartoe is gevloeid, verdient een federaal onderzoek. Want het is uit de federale koffers dat Brussel wordt bediend. Nog voor de zesde staatshervorming goed en wel op de sporen stond, kreeg Brussel bovenop het geld van Beliris nog eens een jaarlijks cadeau van nagenoeg 460 miljoen uit de federale ruif. Wat gebeurt daarmee? Aan grote maatschappelijke projecten wordt het alvast niet besteed. En zeker niet in Molenbeek, waar de OCMW-begroting intussen is aangezwollen tot de omvang van het gemeentebudget.

Als het Overlegcomité faalt, zakken alle staatshervormende constructies om het federale koninkrijk in stand te houden als een soufflé in elkaar.

Toch illustreert niet alleen het Brusselse malgoverno, waar ook Vlaamse ministers deel aan hebben, dat het Belgische model stilaan vastloopt. De toon wordt ook almaar grimmiger tijdens de bijeenkomsten van het Overlegcomité, waar de verschillende regeringen overleggen om mogelijke conflicten te voorkomen of bij te leggen. Naarmate de gewesten en gemeenschappen krapper bij kas raken, stijgt de onvrede vooral aan Franstalige kant. De neerwaartse peilingen werken het ongenoegen van de PS en het cdH verder in de hand. Het jongste overleg eerder deze week over de Brusselse problemen vormde een nieuw dieptepunt.

Het Overlegcomité is de plek waar de echte confrontatie tussen de federale en de Vlaamse regering en de Waalse en Brusselse regeringen plaatsvindt. Volgens een summiere peiling onder federale en regionale parlementsleden van het Franstalige onderzoekscentrum CRISP zou de communautaire slinger terugslaan naar een versterking van het Belgische niveau, naar een herfederalisering. Daarvan is in het Overlegcomité alvast weinig te merken. Brussels minister-president Rudi Vervoort, de handpop van Brussels PS-voorzitter Laurette Onkelinx, en zijn Waalse collega en partijgenoot Paul Magnette gebruiken het Overlegcomité als ‘klankkast voor hun oppositie tegen de federale regering van Charles Michel’.

Een van de deelnemers aan de jongste bijeenkomst getuigde anoniem in Le Soir dat het overleg geen zin meer heeft. Vlaams minister-president Geert Bourgeois hoeft in het Overlegcomité zelfs niets te ondernemen om de N-VA-agenda uit te voeren. De Waalse en vooral de Brusselse collega’s, die hun eigen onbekwaamheid amper nog kunnen wegsteken, doen het communautaire breekwerk voor hem. Als het Overlegcomité faalt, zakken alle staatshervormende constructies om het federale koninkrijk in stand te houden als een soufflé in elkaar.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content