Een 30-urige werkweek kan de ongelijkheid doen toenemen

De PVDA, maar ook andere organisaties zoals Femma vzw en de denktank Poliargus pleiten voor het invoeren van de 30-urige werkweek. Oubollig, onwenselijk en onhaalbaar of net een visionaire visie op de toekomst?

Door Andreas Tirez, kernlid van de liberale denktank Liberales. Blogt op economieblog.be

Ik ga ervan uit dat de werkduurvermindering zonder loonverlies enkel realistisch is als ze geleidelijk wordt doorgevoerd zonder hogere kosten voor de werkgever en met een constant rendement op kapitaal, zodat de concurrentiekracht behouden blijft. Die voorwaarden kunnen worden ingevuld als er productiviteitswinsten gerealiseerd worden. Een 40-urige week verminderen naar een 30-urige week betekent een daling met 25 procent van het aantal gewerkte uren. Als je de loonmassa constant wil houden, moet het uurloon met 33 procent stijgen. Dat is realistisch als de arbeidsproductiviteit, uitgedrukt in productie per gewerkt uur, ook met 33 procent stijgt, zodat de output per loonlast gelijk blijft.

©Twitter

Een stijging van de arbeidsproductiviteit met een derde is in principe geen onmogelijke opdracht: sinds 1970 is die immers ruim verdubbeld. Echter, de stijging is sinds de crisis stilgevallen. Het moment om de arbeidsduur te verminderen lijkt dan ook slecht gekozen. We zullen moeten wachten tot de arbeidsproductiviteit weer stijgt.

Uit het verleden kan je bovendien redelijkerwijze afleiden dat een stijgende arbeidsproductiviteit gepaard moet gaan met meer kapitaalinvesteringen. Dat extra kapitaal moet dan adequaat vergoed worden, zoniet zullen de kapitaalinvesteringen niet of onvoldoende gerealiseerd worden en zal de arbeidsproductiviteit niet of onvoldoende stijgen.

Doordat de totale kapitaalvergoedingen zullen stijgen terwijl de loonmassa constant gehouden wordt, zal het loonaandeel in de economie relatief afnemen, ten voordele van het kapitaalaandeel. De kapitalist wordt dus rijker, terwijl de werknemer stagneert (maar wel minder moet werken). Het gevolg van een 30 urige week is dan een stijgende ongelijkheid tussen werknemers en kapitalisten, ook al gaan de werknemers er in reële termen niet op achteruit.

De kapitalist wordt dus rijker, terwijl de werknemer stagneert (maar wel minder moet werken)

Ik illustreer dat met een busbedrijf als voorbeeld voor de hele economie. Stel dat een buschauffeur 2.000 euro per maand verdient voor een 40-urige week. De werkgever verdient 4.000 euro per maand, als rente op het geïnvesteerd kapitaal. Een werkweek van 30 uur met behoud van loon is mogelijk als de chauffeur 33 procent meer mensen vervoert per uur. Maar daarvoor moet de werkgever een dubbeldekker aanschaffen en de gewone bus verkopen, wat zijn kapitaalinvestering verhoogt. Op die grotere investering eist de werkgever hetzelfde rendement, wat zijn inkomsten doet verhogen met 500 euro. De buschauffeur blijft 2.000 euro per maand verdienen, maar de werkgever verdient nu 4.500 euro. De ongelijkheid is dus gestegen.

©mediafin

Om de stijgende ongelijkheid te neutraliseren, zou het loon van de buschauffeur met 250 euro moeten stijgen. De werkgever zal dat weigeren, omdat zijn rendement dan afneemt, terwijl hij net meer investeert. Er is echter een oplossing: de dubbeldekker efficiënter gebruiken waardoor de bezettingsgraad stijgt; met de extra inkomsten kan het maandloon van de buschauffeur verhoogd worden, zonder dat het rendement op kapitaal moet afnemen. Als dat lukt, is de zogenaamde ‘totale factor productiviteit’ (TFP) gestegen. Met TFP wordt vaak innovatie bedoeld, maar in de praktijk is het meer dan dat, zoals beter management of schaalvoordelen. De TFP-groei is dan ‘gratis’ economische groei: meer output zonder extra arbeid of kapitaal.

Je kan met de theorie van de groeiboekhouding afleiden hoe hoog de jaarlijkse TFP-groei van de totale economie moet zijn om de ongelijkheid niet te doen stijgen als er een 30-urige werkweek wordt ingevoerd. De hoogte van de TFP-groei hangt ook af van het tempo waarin de arbeidsduurvermindering gerealiseerd wordt. Als dat in 15 jaar zou gebeuren, is de noodzakelijke jaarlijkse TFP-groei minstens 1,2 procent, maar waarschijnlijk hoger dan 2 procent. Die niveaus zijn sinds de jaren 70 en 80 niet meer gehaald in België (zie grafiek). Een realistische arbeidsduurvermindering zonder stijgende ongelijkheid wordt zo een pak minder waarschijnlijk. De vraag is of dat maatschappelijk aanvaardbaar is.

Lees verder

Gesponsorde inhoud