Europa, open huis noch burcht

De recente oproep van Antonio Tajani, de eurocommissaris voor Industrie, voor de oprichting van een ‘autoriteit met als opdracht het onderzoeken van de buitenlandse investeringen in Europa’ wijkt enigszins af van de traditionele nadruk van de Commissie op openheid ten aanzien van internationale investeringen en de ontmanteling van bestaande barrières.

Door Nicolas Véron, senior fellow bij de Brusselse denktank Bruegel en visiting fellow aan het Peterson Institute for International Economics in Washington.

De onderliggende bekommernis is zeker niet nieuw. In de Verenigde Staten werd in 1988 het Committee of Foreign Investment in the US (CFIUS) opgericht. Dat heeft een uitgebreid mandaat om de impact na te gaan van buitenlandse investeringen op de nationale veiligheid. Ook de meeste lidstaten van de Europese Unie hanteren een of andere vorm van evaluatie.

Wel nieuw, en nog versneld door de crisis, is dat dergelijke buitenlandse investeringen meer en meer komen van China en de olierijke landen, waarmee de geopolitieke belangen van Europa op zijn minst niet op één lijn staan. Het gevolg is wellicht meer, en terechte, bekommernis om de veiligheid. Je kan bijvoorbeeld begrijpen dat Centraal-Europese landen voorzichtigheid aan de dag leggen bij Russische investeringen in hun olie- en gas- infrastructuur.

De Europese Unie moet dus een nieuw evenwicht zien te vinden tussen twee extremen: een absolute economische openheid die de realiteit van sommige risico’s niet erkent, of een vestingmentaliteit die elke overname door een niet-westers bedrijf automatisch als bedreigend ziet voor de nationale veiligheid.

Gelukkig is de overgrote meerderheid van de bedrijven uit strategisch oogpunt niet onmisbaar. Hun overname door buitenlanders moet niet mordicus worden geweigerd, zelfs als men aanneemt dat de overnemer politiek vijandige bedoelingen heeft. Veel overnames door Chinese bedrijven, zoals die van IBM’s pc-afdeling door Lenovo in 2005 of Volvo Cars door Geely in 2010, hebben voor controverse gezorgd, maar je kan die acquisities echt niet als gevaarlijk bestempelen. Ook de participaties van staatsfondsen in grote Europese en Amerikaanse banken in 2007 en 2008 deden de wenkbrauwen fronsen, maar zijn uiteindelijk een verrassend goede deal geweest voor het Westen.

We hebben vooral een duidelijk juridisch kader nodig dat toelaat de weinige ondernemingen te beschermen die echt van strategisch belang zijn - door hun unieke technologie, hun controle over kritische netwerken of infrastructuur, of andere veiligheidsoverwegingen - zonder dat dit proces wordt uitgebuit om onschadelijke overnames of participaties af te blokken.

Het minimaliseren van de wrijving die een evaluatie onvermijdelijk veroorzaakt, wordt bemoeilijkt door de zeer verschillende houding tegenover buitenlandse investeringen in Europa. Dat gaat van Frankrijks zelfverklaard ‘economisch nationalisme’ tot Denemarkens zorgeloosheid toen het Amerikaanse DuPont onlangs Danisco kocht, een van zijn grootste bedrijven. Om deze redenen zouden de procedure en de criteria voor de eva- luatie van buitenlandse overnames vastgelegd moeten worden in Europese wetgeving in plaats van door nationale initiatieven, zoals nu het geval is, ook al blijft de implementatie het voorrecht van de lidstaten afzonderlijk.

Commissaris Tajani heeft gelijk om op te roepen tot waakzaamheid en tot nieuwe manieren van denken over buitenlandse investeringen. Maar het domein en het doel van een ‘Europees CFIUS’ zou rigoureus moeten worden omschreven, zo niet wordt het zelfvernietigend. Hoe eerder de Europese Unie met een coherent antwoord op deze uitdaging komt, hoe beter

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content