Ik moest wel stinken, want ik kwam uit Marokko. Zulke onzin hoorde ik als kind. Vreemdelingen, of kinderen van, als verspreiders van weinig goeds, het is een bezopen idee dat nu weer boven water komt onder het mom van het Gele Gevaar.

Chinezen zijn ziekteverspreiders, aldus benepen redeneringen. 'Je ne suis pas un virus', tweetten Europeanen van Chinese, Vietnamese of Cambodjaanse afkomst nadat ze lastiggevallen werden op sociale media of op straat. Dat lastigvallen is een verbloeming voor ranzig racisme. De kleur van een huid en de vorm van ogen zouden al een uiterst besmettelijk virus in zich dragen.

Het coronavirus is klein grut in vergelijking met het haast ongeneeslijke vergif dat racisme heet. De bestrijding ervan wordt op een welbepaalde dag in de bloemen gezet, wanneer de lente begint, op 21 maart. Dat is jaarlijks de internationale dag tegen racisme en discriminatie. Ik word stil van zulke dagen. Het indammen van diverse vormen van dwaasheid hoeven we heus niet op een kalenderdag in de verf  te zetten.

Vreemdelingen, of kinderen van, als verspreiders van weinig goeds, het is een bezopen idee dat nu weer boven water komt onder het mom van het Gele Gevaar.

Wat wel in de verf mag worden gezet is de dagdagelijkse grenzeloze angst voor de ander. Van de odeur van een Marokkaan tot het Gele Gevaar heerst een onderliggende angst van overname. Het witte ras zou terrein verliezen ten voordele van ‘bruinen’ en ‘gelen’, die respectievelijk de islam en een virale ziekte inzetten als wapen. De overname is een omvolking, een witte genocide. Je kan er donder op zeggen: ook na de coronacrisis blijft extreemrechts groeien, want het gevaar zit in de ander. In open grenzen, multiculturalisme en (nazaten van) migranten. Het is een simplistisch vijandbeeld dat zich sneller verspreidt dan virussen.

Maar we zijn elkaars vijand niet, ‘witten’ worden niet omgevolkt, noch ontvolkt. We worden wel weggesaneerd. De onderbemanning in ziekenhuizen is al jaren een structureel probleem. Verpleegkundige Jessica Geeraert van het Gentse UZ zegt in De Standaard: ‘Elke marge is weg. Door aanhoudende besparingen worden de vijzen aangedraaid. Tot het knapt.’ Burn-out en ziekteverzuim zijn niet vreemd in een zorgsector die op zijn tandvlees zit en geplaagd wordt door een doorgeslagen drang naar administratieve systematiek.

Je kan er donder op zeggen: ook na de coronacrisis blijft extreemrechts groeien, want het gevaar zit in de ander.

Structurele schaarste en systeemdrangerige afvinkerij, daar zit de vijand. De zorgverleners houden stand en als bedankje applaudisseren we en hangen we soms een wit laken uit. De dankbaarheid is oprecht, maar ik word er wederom stil van. Het applaus om acht uur ’s avonds doet me denken aan die 21 maart tegen racisme. Fouten, of het nu om discriminatie gaat of besparingen in een essentiële sector, hoeven geen sfeerscheppende climax, maar een zelfreflectie van onszelf als burger en kiezer.

We hebben nu tijd zat om te leren inzien dat tijd evengoed een vijand kan zijn. Toch als de politici volharden in het kortetermijndenken. Ze reduceren de politiek tot een flipperkastspel, waarbij de bal paniekerig van de ene sense of urgency naar de andere springt. De vermaarde viroloog Johan Neyts zegt dat er al een virusremmer had kunnen zijn tegen het nieuwe coronavirus. In 2003 al, bij de uitbraak van SARS.

De vijand is er, en die heet niet Kim of Mohammed. De vijand zit in schaarste, doorgedreven systematiek, een kort tijdsbesef en een laat urgentiegevoel. Dit alles heeft ook een geurtje. Het ruikt naar volksverlakkerij en heeft voor de goede orde geen nationaliteit.

Lees verder

Gesponsorde inhoud