Investeren in grote projecten kan rendabel zijn voor overheid

De Belgische rentecurve is in een jaar tijd fors gedaald. Vooral de sterk gezakte rente op 30 jaar wordt dan interessant voor het financieren van grote overheidsinvesteringen.

Door Andreas Tirez. Blogt op Economieblog.be. Kernlid van de liberale denktank Liberales

De kans wordt steeds groter dat het begrotingsevenwicht met twee jaar wordt uitgesteld. In een context van lage inflatie en lage groei leidt het verminderen van het deficit tot een nog tragere groei, en dat helpt de overheidsfinanciën niet. Het uitstel is dan ook wenselijk.

Economen als Paul De Grauwe maar ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gaan nog verder en roepen de overheden in Europa op meer uit te geven, vooral aan investeringen die het groeipotentieel van een land kunnen verhogen. De slechte economische vooruitzichten en de aangekondigde acties van de ECB hebben de rente op overheidsschuld immers doen dalen naar historisch lage niveaus.

Zo ook voor België. De grafiek toont de rentecurve van augustus 2013 en augustus 2014. De rentedaling is spectaculair: vorig jaar moest België 2,77 procent betalen op een lening met een looptijd van tien jaar. Toen al historisch laag en ondertussen nog gezakt naar 1,40 procent. De daling komt overeen met een verlaging van de nominale financieringskosten met 12 procent. Ook de 30-jarige rente is gedaald, van 3,64 procent naar 2,28 procent. De financieringskosten zakken met liefst een vijfde. Vooral de rente op 30 jaar is interessant voor het financieren van grote overheidsinvesteringen, omdat die vaak een levensduur hebben van meerdere decennia.

De 30-jarige rente is gedaald van 3,64 procent naar 2,28 procent. De financieringskosten zakken met liefst een vijfde.

Stel dat de overheid het fileprobleem rond Brussel wil oplossen door een tunnel onder de hoofdstad te bouwen die de twee stukken van de E40 met elkaar verbindt. Kostprijs 10 miljard euro. Als de overheid dat bedrag op 30 jaar leent, betaalt ze jaarlijks enkel de rente. In het 30ste jaar betaalt ze de rente en het geleende bedrag terug. Bij een rente van 3,64 procent zal de overheid bijna 21 miljard euro betaald hebben; bij een rente van 2,28 procent is dat bijna 17 miljard. Dat is bijna 20 procent minder.

Dat aanzienlijke verschil kan de investeringsbeslissing doen kantelen. Stel dat de investering de jaarlijkse economische groei gedurende die 30 jaar met 0,01 procentpunt verhoogt ten opzichte van een nominale nulgroei. Dan levert dat cumulatief een extra economische activiteit op van 18,6 miljard euro (met een bbp van 400 miljard euro). Vorig jaar lag deze extra groei lager dan de financieringskosten, maar door de daling van de lange rente wordt het project wel rendabel.

Rentecurve van Belgische schuld ©Mediafin

In het voorbeeld hou ik geen rekening met inflatie of discontovoet. De rentes waarmee ik reken zijn nominale rentes en moeten aangepast worden aan de inflatie om de reële rente te verkrijgen. Doordat de inflatie gezakt is, is de daling van de reële rente minder spectaculair.

Als de inflatie en de reële rentes in rekening gebracht moeten worden, moet ook het effect op de groei meegerekend worden. In de huidige economische context leidt het verminderen van de overheidsuitgaven tot een sterk lagere groei. Die redenering geldt ook omgekeerd: hogere overheidsuitgaven leiden in de huidige situatie tot een hogere groei in vergelijking met een normale economische context. Het kan dus zijn dat de economische activiteit dankzij een tunnel onder Brussel niet met 0,01 procentpunt stijgt, maar met 0,02 procentpunt, al was het maar de eerste vijf of tien jaar. Daardoor wordt de beslissing om te investeren weer positief.

De moeilijkheid in deze oefening is niet het berekenen van de financieringskosten, wel van de effecten op de groei. Dat is zeer moeilijk omdat veel factoren en onzekerheden meespelen. Een dergelijke oefening is onvermijdelijk meer ideologisch dan economisch geïnspireerd.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content