1

Op de Europese stoep

©belga

Als die Puigdemont maar geen krassen maakt op onze Belgische automobiel. Dat was de lichtjes overspannen teneur in de landelijke media na het neerstrijken in Brussel van de minister-president van de Catalaanse Generalitat, die door de Spaanse regering was afgezet.

Wie door de Brusselse Spoormakersstraat wandelt, moet ter hoogte van nr 58 even omhoog kijken. Boven de voordeur van het pand hangt een verweerde herdenkingsplaat. In dat huis woonde ooit Joachim Lelewel, een aanvoerder van de mislukte Poolse novemberopstand van 1830 tegen Rusland. Nadat hij eerst een tijdje in Frankrijk was opgejaagd door de Franse politie, die nauw samenwerkte met de Russische geheime politie Okhrana, arriveerde de Poolse nationalist in 1833 in Brussel. Ook de Belgische overheid wilde Lelewel liever kwijt omwille van de druk vanuit Rusland. Om hem weg te krijgen, werden er geregeld straatprotesten tegen hem georkestreerd. Maar Alexandre Gendebien en Barthélemy Dumortier, twee veteranen van de Belgische revolutie van 1830, namen hem in bescherming, samen met nog andere prominenten.

©belga

Lelewel was een historicus en numismaat. In Brussel werd hij voorzitter van de Demokratische Gesellschaft zur Einigung und Verbrüderung aller Völker, die hij oprichtte met Friedrich Engels en Karl Marx, die hier ook verbleef. In die dagen leerde hij Michail Bakoenin kennen, de anarchist die ervan droomde om heel Europa in brand te steken. In de loop der jaren kruiste Lelewel tal van asielzoekers die in de Belgische hoofdstad verbleven of er op doortocht waren, zoals de Rus Alexander Herzen, de Fransen Victor Hugo en Pierre-Joseph Proudhon, de Hongaar Lajos Kossuth en de Italiaan Giuseppe Mazzini.

Het 19de-eeuwse Brussel was een toevluchtsoord en een trefplaats voor opstandige literati, politieke activisten en revolutionairen uit heel Europa. Nu en dan, als de druk van een bevriend staatshoofd al te groot werd, volgde toch een uitwijzingsbevel. Maar Lelewel is gebleven, tot aan de vooravond van zijn dood. Hij was net voor medische verzorging aangekomen in Parijs toen hij er in 1861 overleed.

De kans dat iemand van het opstandige slag als Lelewel vandaag nog een herdenkingsplaat op een Brusselse gevel krijgt, is gering. Voor autonomisten, separatisten en nationalisten is in de Europese Unie geen plaats. Zolang ze het houden bij wat folklore, streekproducten en andere pittoresken wordt er op die lui welgevallig neergekeken. Maar wanneer die regionale eigenaardigheid politieke aspiraties opwekt zoals zelfbestuur, kan dat in het zelfverklaarde Europa zonder grenzen niet meer door de beugel. De Europese plannenmakers applaudisseerden toen de Baltische staten zich afscheurden van de Sovjet-Unie, maar ze tolereren niet dat hun plannen worden doorkruist door een stel autonomisten die hun regio willen losweken van een van de lidstaten, zelfs al zijn die autonomisten en nationalisten democratisch verkozen.

Eén volk

In de Europese salons geven ze graag op over de achterhaalde 19de-eeuwse natiestaat. Ooit pleitten twee vrije jongens als Daniel Cohn-Bendit en Guy Verhofstadt in hun pamflet ‘Voor Europa’ voor een sterk Europees gezag om de lidstaten tot onderdanigheid te dwingen. Nadat de staats- en regeringsleiders van de Europese Unie er de Europese Grondwet ondertekenden werd op het Romeinse Palazzo dei Conservatori een gedenkplaat aangebracht. Die herinnert aan deze eensgezindheid ‘om de volkeren van Europa te verenigen tot één geheel, één volk, met één geest, één wil en één regering’. Die overigens wat dubieuze formulering was op z’n minst voorbarig. Want nu puntje bij paaltje komt met zo’n onafhankelijkheidsverklaring van bij voorbeeld Catalonië, dat hoe dan ook lid van de Europese Unie wenst te blijven, is die natiestaat, in dit geval de Spaanse, toch weer sacrosanct.

Dat Spanje volgens Transparency International het meest corrupte EU-land is en de regerende Partido Popular (PP) een heus sjoemelnetwerk controleert, daar maken ze op het Brusselse Schumanplein geen punt van.

Nochtans heeft Europa kortgeleden niet geaarzeld om in Polen en Hongarije te raken aan de nationale soevereiniteit van een lidstaat. Polen werd op de vingers getikt wegens de politisering van de rechtelijk macht. Er werd zelfs gedreigd met de procedure om Polen zijn stemrecht in de EU te ontnemen. Hongarije werkte dan weer op de Brusselse zenuwen met een omstreden onderwijswet en de manier waarop vluchtelingen en migranten er werden behandeld. Al verschilt die behandeling nauwelijks van de Spaanse aanpak in de Noord-Afrikaanse enclave Cueta, die met een zes meter hoge omheining is afgebakend. Maar voor de gebeurtenissen in Spanje wenden ze in Brussel zedig de blik af. Dat Spanje volgens Transparency International het meest corrupte EU-land is en de regerende Partido Popular (PP) een heus sjoemelnetwerk controleert, daar maken ze op het Brusselse Schumanplein geen punt van. Zonder gêne schermend met de rechtsstaat liet de minderheidsregering van premier Mariano Rajoy en zijn graaigrage PP de politie met de wapenstok los op Catalaanse kiezers die bij een referendum hun stem wilden uitbrengen voor of tegen de onafhankelijkheid van de regio. Activisten werden opgepakt. Democratisch verkozen volksvertegenwoordigers werden naar huis gestuurd en de Catalaanse regering werd afgezet. Sommigen werden naderhand opgesloten wegens opruiing, rebellie en misbruik van belastinggeld. In Spanje, waarvan Federico Garcia Lorca beweerde dat ‘de doden er meer levend zijn dan de doden waar ook ter wereld, en hun profiel wonden slaat als de snede van een scheermes’, is niet veel meer nodig om de oude demonen van de burgeroorlog op te roepen.

De Belgische pers reageerde lichtjes overspannen op de aankomst in Brussel van de Catalaanse minister-president Carles Puigdemont en enkele van zijn ministers, van wie Madrid intussen de uitlevering vraagt. Zijn aanwezigheid in Brussel werd meteen als een majeur Belgisch probleem voorgesteld. De teneur was er een van: als die nationalist maar geen krassen maakt op onze pas gepoetste automobiel. Toch was het niet zo verwonderlijk dat de afgezette Puigdemont naar Brussel reisde om er het Catalaanse probleem op de Europese stoep te leggen. Europa probeert weg te kijken en er zich vanaf te maken met dwaze verklaringen als die van Europees commissievoorzitter Jean-Claude Juncker.

Terwijl de muntunie geen solidariteit voorziet tussen de verschillende eurolanden, moeten de rijkere regio’s wel een interne solidariteit opbrengen waar ze niets voor terugkrijgen.

Maar men is er zich wel van bewust dat het met de invoering van de euro de animositeit tussen Barcelona en Madrid heeft aangewakkerd. Nadat de eurocrisis was losgebarsten, luidde Catalonië al snel de alarmbel omwille van ‘de financiële mishandeling’ door de nooddruftige Spaanse staat. Nog voor de invoering van de euro hadden specialisten als de toenmalige Europese topambtenaar Bernard Connolly gewaarschuwd dat de muntunie niet alleen de landsgrenzen maar vooral dit soort gevaarlijke breuken binnen de lidstaten moet overspannen. Terwijl de muntunie geen solidariteit voorziet tussen de verschillende eurolanden, moeten de rijkere regio’s wel een interne solidariteit opbrengen waar ze niets voor terugkrijgen. Waardoor de tegenstellingen tussen de rijkere en de armere regio’s worden aangescherpt. Niet alleen in Spanje, zoals is gebleken, maar ook in België, in Duitsland en in Italië, waar onlangs nog de regio’s Veneto en Lombardije - samen goed voor 30 procent van het Italiaanse bruto binnenlands product - via een referendum een grotere autonomie opeisten. Een zelfstandig Catalonië zou een van de rijkste landen van Europa zijn, berekende destijds Kenneth Rogoff, de gewezen hoofdeconoom van het Internationaal Monetair Fonds. In Catalonië beseffen ze dat ook. Het levert 20 procent van het Spaanse bbp. Minder zeker is hoe verder moet met Spanje zonder Catalonië. Voor de EU en de eurozone is Spanje ‘too big to fail’. En dus moet Catalonië blijven betalen voor beslissingen in Madrid waar het geen vat op heeft. Ooit loopt dat toch slecht af.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content