Pas pensioenen aan de productiviteitsgroei aan

Andreas Tirez

In zijn column van vorige week ging Peter De Keyzer hevig te keer tegen de Vergrijzingscommissie, maar hij is te pessimistisch over de betaalbaarheid van de pensioenen. Het lijkt doenbaar de werkzaamheidsgraad te laten stijgen volgens de schattingen van de commissie.

De econoom Peter De Keyzer vindt de inschattingen van de Vergrijzingscommissie over de toekomstige productiviteitsgroei én de werkzaamheidsgraad in ons land te optimistisch. Het klopt dat de commissie de productiviteitsgroei met 1,5 procent per jaar erg hoog inschat en dat dat een impact heeft op de betaalbaarheid van de vergrijzingskosten. Maar ze doet ook een analyse met lagere productiviteitsgroeivoeten, waardoor de impact ervan kan worden ingeschat.

©Twitter

De echte kritiek is volgens mij deze: de productiviteitsgroei zou nauwelijks relevant mogen zijn voor de betaalbaarheid van de pensioenen. Dat kan door het pensioen afhankelijk te maken van de productiviteitsgroei: als die hoger is dan verwacht, kan je de gepensioneerden laten delen in de hogere welvaart en omgekeerd. Net zoals dat, op langere termijn, bij lonen het geval is. De toepassing van dat principe - bekend als de Musgrave-regel - is een aanbeveling van de Pensioencommissie en werd ruimer uitgewerkt in het Leuvens Economisch Standpunt van april. In dat Standpunt wordt trouwens opgeroepen om na de punctuele maatregelen ook structurele te nemen om de vergrijzingskosten in toom te houden. Daar pleit ook De Keyzer voor.

Laaggeschoolde mannen

De kritiek van de econoom op de toekomstige werkzaamheidsgraad vind ik dan weer te pessimistisch. De bijgaande grafiek geeft voor de periode van 2000 tot 2035 de werkzaamheidsgraad per geslacht voor twee leeftijdscategorieën weer, evenals de totale werkzaamheidsgraad (aangeduid met de dikke zwarte lijn). De Vergrijzingscommissie rekent met een werkzaamheidsgraad die blijft stijgen tot ze in 2035 73 procent bereikt. In 2000 stonden we op 63,5 procent, in 2016 op 65,5 procent. In dit tempo komen we er inderdaad niet.

Maar de grafiek toont dat het voor de 55-plussers voldoende is dat de historische trend van de sterk stijgende werkzaamheidsgraad in deze leeftijdscategorie doorzet. Er moet geen ‘tandje worden bijgestoken’. Dat geldt ook voor vrouwen onder de 55 jaar: hun werkzaamheidsgraad heb ik moeten berekenen (omdat de Vergrijzingscommissie die niet publiceert) en schat ik op 68,4 procent in 2016, komende van 62,6 procent in 2000. Het gaat om een stijging met bijna 6 procentpunten. In 2035 zou die werkzaamheidsgraad op 72,4 procent staan, nog eens een toename van 4 procentpunten. Er is dus meer tijd voor een kleinere stijging.

Het grote probleem zit bij de mannen jonger dan 55 jaar. Daar is de werkzaamheidsgraad sinds 2000 afgenomen van net geen 81 tot 75,6 procent nu. Die trend moet worden gekeerd, wat inderdaad niet evident is. Maar het is niet dat de Vergrijzingscommissie een mirakel vraagt. In haar voorspelling gaat ze - als mijn berekening correct is - uit van een werkzaamheidsgraad voor deze groep van net geen 79 procent. Dat is 2 procentpunten onder de werkzaamheidsgraad in 2000.

Dat lijkt allemaal doenbaar, zonder dat ik wil zeggen dat het vanzelf zal gaan. Het wordt niet gemakkelijk laaggeschoolde mannen aan het werk te krijgen en te houden. De dalende werkzaamheidsgraad van jongere mannen wordt nu vooral veroorzaakt door de laaggeschoolden. En mannen zullen in de toekomst nog vaker laaggeschoold zijn dan vrouwen. Een studie van het Vlaamse departement Werk en Sociale Economie toont aan dat de 25-jarige mannen driemaal vaker laaggeschoold zijn dan 25-jarige vrouwen: 19,5 procent tegenover 6,5 procent.

Conclusie: over de werkzaamheidsgraad zijn de assumpties van de Vergrijzingscommissie realistisch. De productiviteitsgroei in het basisscenario is te optimistisch. Maar het is vooral aan de federale regering om structurele maatregelen te nemen zodat de pensioenkosten onafhankelijk worden van de moeilijk te voorspellen variaties in de productiviteitsgroei.

Lees verder

Tijd Connect