I'm waiting for Another language To speak the story of my soul ‘Another Language’, Lamb, 5, 2011

Volgens de nieuwe Vlaamse regering moet ik bij het ochtendgloren met de borst vooruit ‘Ik ben Vlaming en daar ben ik trots op’ roepen tegen het ongeschoren gezicht dat me in de spiegel aankijkt. Wat een fasciNatie is voor de een, is een aliëNatie voor een ander: ik ben er helemaal niet trots op dat ik Vlaming ben. Ik ben er ook niet rouwig om. Het is me volkomen vreemd om trots te zijn op iets waar ik geen aandeel in heb.

Zo ben ik ook niet trots om Gentenaar te zijn. Ik woon er bijzonder graag. Ik vind het een mooie, leefbare, cultureel interessante, culinair heerlijk vernieuwende stad, maar ik ben er niet trots op. Ik kan me niet op de borst kloppen dat ik er veel voor heb gedaan. Zelfs toen ik er kabinetschef was van de beste Vlaamse burgemeester ooit was mijn aandeel in wat de stad geworden is te miniem om over te spreken.

©rv

Ik ben Vlaming omdat ik geboren ben in een Vlaams gat, Zerkegem. Daar heerste een uitgesproken West-Vlaamse trots, maar er was verder geen spoor van Vlaamsigheid. Als die er al was, dan werd die heel vroeg in mij gedoofd door toedoen van mijn papa’s vader. Peetje was als 19-jarige diep Vlaamsgezind uit de Eerste Wereldoorlog gekomen. De wijze waarop Vlamingen door Nederlandsonkundige officieren behandeld werden, maar vooral dat zijn beste maat het leven liet wegens een niet-begrepen order, liet hem zijn hele leven niet meer los.

Nog meer dan Vlaams was hij tegen alles wat geweld was. Nooit meer oorlog was zijn grootste wens. Dus trok hij ieder jaar welgemoed naar de IJzerbedevaart, waar hij zijn oude WO I-vrienden ontmoette. Daar kwam abrupt een einde aan toen de weide overstroomd werd door mensen in militaire uniformen die haat en racisme predikten. ‘Ze zullen het nooit leren, die Vlaamsgezinden’, zou hij gezegd hebben in 1942 toen hij kinderen van zijn oude gezellen naar het Oostfront zag vertrekken. Dat vertelde mijn meetje me toen ik haar meldde dat ik gewetensbezwaarde zou worden. Ze was trots op me. Ik was een waardig kleinkind.

Ook met die West-Vlaamse trots heb ik niets. Zeker niet toen ik als 18-jarige in Gent arriveerde. Ik ergerde me blauw aan West-Vlaamse studenten die zich enkel inlieten met gouwgenoten en alleen op het examen een poging deden om iets te praten dat op Nederlands leek.

Ik hou enorm van mijn taal, die Vlaams en niet West-Vlaams is. Die prachtige stemmen met het heerlijk correcte Nederlands van de BRT-radiojournalisten die ‘Actueel’ inspraken en me een niet te schatten inzicht in de wereld gaven, ik kreeg er nooit genoeg van. De taalvirtuositeit van Koot & Bie, van Guy Mortier, en de Jannen Hautekiet en Wauters!

Ik ben er helemaal niet trots op dat ik Vlaming ben. Het is me volkomen vreemd om trots te zijn op iets waar ik geen aandeel in heb.

Dat leren smullen van taal is waarschijnlijk begonnen in 1963 op de scooter van mijn pa met een grote doos ‘Vlaamse Filmkes’, ‘Ricardo’s’ en ‘A. Hans Kinderbibliotheek’-boekjes tussen ons in geklemd. Mijn papa’s jongste broer had die boekjes, die de drie broers lazen wanneer ze zo oud waren als ik toen, al die jaren zorgvuldig bewaard. Ik vrat die verhalen. Een half jaar later kwam meester Duhamil mijn papa vragen wat er met mij gebeurd was. Van een leerling met modale resultaten was ik ineens primus geworden. Dat ik in mijn opstellen werkwoorden gebruikte die hij niet eens kende, verbijsterde hem.

Die paar keer dat ik me Vlaming voelde, was toen mijn taal gekrenkt werd. Als beginnende ambtenaar - ik moest het plan-Spitaels uitvoeren - werd ik door zijn cabinetards alleen in het Frans toegesproken. Toen ik daar mijn beklag over maakte, was ik ei zo na mijn (tijdelijke) job kwijt.

Nog maar een paar jaar geleden gaf ik een presentatie in een non-profitorganisatie waar zowel Vlamingen als Franstaligen werken. Voor mij deed een personeelshoofd de reorganisatieplannen uit de doeken in prachtig Voltaire-Frans. Tien minuten ver in mijn lezing zie ik de directeur driftig voor mij dansen, met op een stuk karton ‘En français s.v.p.’ Ik legde uit dat afgesproken was dat ik in het Nederlands zou praten en dat niemand misbaar maakte toen mijn voorganger enkel Frans sprak, maar ik was voor de helft van de zaal van dan af aan een Vlaams Belanger (en voor de andere helft een held).

De laatste keer dat ik me in mijn taal gekrenkt voelde, was na lezing van het schabouwelijk woordgegeven Vlaams regeerakkoord. De Tael is toch gansch het Volk? Ik mag hopen van niet.

Toch ben ik niet trots op mijn taal. Ik heb haar cadeau gekregen. Wie wel trots mag zijn op zijn kennis van het Nederlands zijn volwassen migranten, want ze hebben zich grote inspanningen getroost om een moeilijke taal te leren. Maar in plaats van respect krijgen ze de rekening.

Lees verder

Tijd Connect