Voorzitter FOD Sociale Zekerheid

Op 19 maart 1954 was mijn papa een gelukkige man. Rond 17 uur schoot zijn idool Rik Van Steenbergen als eerste over de eindstreep van Milaan-San Remo en twee uur later klonken mijn eerste geluiden in het rijzige huis aan de Dorpsstraat in Zerkegem. Het scheelde dus niet veel of ik moest als Rik Van Massenhove door het leven.

Frank Van Massenhove is voorzittere FOD Sociale Zekerheid

©Dieter Telemans

Maar het woord van mijn mama was wet: het zou Franky worden, of iets anders dat eindigt op y. Zo komt het dat de Zerkegemse Lagere Jongensschool in de jaren vijftig en zestig bevolkt werd door Eddy’s, Freddy’s en Franky’s, die maar wat blij waren dat hun ouders hen niet Hippoliet genoemd hadden, zoals die ene stille jongen die nooit bij enig spel werd betrokken.

Ik was meer dan veertig jaar, toen het thuisbevallen het symbool van progressiviteit werd, het laatste Zerkegemse kind dat thuis was geboren. Dat was een bewuste maar negatieve keuze van mijn ouders. Mijn papa was hulpje bij zijn vader, mijn peppee. Peppee maakte schoenen voor alle Zerkegemnaren, papa herstelde ze. In die tijd had een zelfstandig hulpje geen socialezekerheidsstatuut en dus moesten mijn papa en mama bij een bevalling in het ziekenhuis voor alle kosten opdraaien. Mocht papa er nog zijn, zou hij met woedend afgrijzen reageren op de unanieme stelling van alle Republikeinse presidentskandidaten die Obamacare een aanslag op de vrijheid noemen.

Je zou denken dat die omstandigheden mijn mama zenuwachtig maakten voor de bevalling, maar dat was buiten Martha Pittonjon gerekend. Mama kende Martha al heel haar leven: ze was de buur van de ouders van haar ouders. Martha had al honderden kinderen ter wereld gebracht. Niet dat ze ooit gestudeerd had voor vroedvrouw. Het was iets dat al generaties lang was doorgegeven van moeder op dochter.

En naast Martha stond dokter Teerlynck, de man die 46 jaar lang de huisdokter van papa en mama zou zijn. Zijn rust en professionaliteit was even legendarisch als zijn churchilliaanse sigaar, die hem toegeleverd werd door Albert Bogaert, de eeuwige burgemeester van Jabbeke en eigenaar van een sigarenfabriekje. Jaren later zou ik, als baas van een ministerie, zijn kleinzoon, Hendrik, ontmoeten in zijn functie van Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken.

Dokter Teerlynck werd als een vriend des huizes beschouwd, ook al kwam hij alleen op bezoek als er iemand ziek was. Je wist niet op welk uur hij zou binnenvallen. Dokter Teerlynck nam zijn tijd om met zijn patiënten te spreken, want hij bedreef niet alleen geneeskunde maar vooral veel dienstbaarheid. Hij kende zijn mensen, wist met welke kinderen er problemen waren en waar ze schoolliepen.

Op een zondagvoormiddag in 1977 kreeg ik, toen middenvelder bij Riva Zerkegem, een gemene trap na een in mijn herinnering Messiaanse beweging (al vergeleken mijn ploeggenoten me eerder met een strijkijzer), en bevond ik mij, voor ik het goed en wel doorhad in de dokterskamer van dokter Teerlynck. De kwetsuur viel best mee en algauw had André zijn sigaar opgestoken en vroeg me hoe het ging met de studies. Dat jaar zou ik als jurist afstuderen. Zijn ogen glinsterden toen ik het vertelde. Hij geloofde, net zoals meester Sanders die me naar de humaniora stuwde, stellig in de noodzaak van democratisering van het onderwijs. Een arbeidskind dat universitair afstudeerde, zoiets maakte hem intens gelukkig.

‘Maar je hebt ook een slimme papa’, zei hij. ‘Ja,’ zei ik, ‘maar voor één iets is hij niet slim: hij rookt nog altijd.’ ‘Sigaretten,’ riep dokter Teerlynck uit, na een heftige trek aan de sigaar, ‘zeer gevaarlijk!’ ‘Kankerverwekkend’, voegde hij er met gefronste wenkbrauwen aan toe. Ik liet dokter Teerlynck toen beloven dat als er ooit iets was met papa, hoe onschadelijk ook, hij hem de daver op het lijf zou jagen en hem met drang zou aanbevelen om hier en nu met het roken te stoppen.

Een paar maanden later kreeg papa een maagontsteking. Dokter Teerlynck moest niet eens liegen. Papa kwam thuis en zette zijn pakje sigaretten op de schouwmantel, waar het nog jaren zou staan. De woorden van dokter Teerlynck sloeg je niet in de wind.

Allerzielen betekende nooit veel voor mij, maar nu komen toch een rustige weemoed en de herinnering aan kleine voorvalletjes naar boven.

Allerzielen betekende nooit veel voor mij, maar nu ik op een leeftijd ben gekomen waarop ik moet vaststellen hoeveel mensen die veel voor mij betekenden, er niet meer zijn, komen, met het vallen van de bladeren, niet het diepe verdriet en de grote verhalende maar een rustige weemoed en de herinnering aan kleine voorvalletjes.

Op maandag 8 november 1965 zag ik meester Sanders een volledig opstel van mij op het bord schrijven. Beretrots stapte ik ’s middags ons huis binnen. Daar zat dokter Teerlynck, ‘die even binnensprong om de bloeddruk van mijn moeder te meten’. Een dokter die zichzelf uitnodigde voor een thuisbezoek was toen heel normaal. Met grote trots vertelde ik van meester Sanders en mijn opstel. Dokter Teerlynck gaf me een vertederend warm schouderklopje. Mijn opstelletje ging over het kerkhofbezoek op Allerzielen.

 

Frank Van Massenhove is voorzitter FOD Sociale Zekerheid. Hij  schrijft deze column tweewekelijks.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud