Advertentie

Club Med in Kigali

Minister Didier Reynders bezocht de plaats waar de Belgische militairen zijn vermoord in Rwanda. ©Photo News

In de Rwandese hoofdstad Kigali werd de genocide van 1994 herdacht. Belgische ministers lieten er zich schofferen door president Paul Kagame, die bij elk onderzoek hoger klimt op de lijst met verdachten van het aanstoken van de volkerenmoord. De Belgische kolonel Luc Marchal, een van de VNbevelhebbers in Rwanda, was een kroongetuige van het drama.

In de zomer van 1993 landde de Canadese generaal Roméo Dallaire in Kigali, gewapend met een Michelin-kaart van Rwanda en een fotokopie van de Arushavredesakkoorden. De man had geen enkele oorlogservaring. Toch stuurden de Verenigde Naties hem uit om de leiding te nemen van de United Nations Assistance Mission for Rwanda (UNAMIR) om de uitvoering te verzekeren van de Arusha-akkoorden, waaraan de regering van Wilfried Martens nog mee had gesleuteld. Om Dallaire bij te staan detacheerde het Belgische leger kolonel Luc Marchal. Hij kreeg het bevel over de gevoeligste sector, de hoofdstad Kigali.

Zo begon de meest desastreuze missie ooit door de VN georganiseerd. De UNAMIR-vredesmacht telde zo’n 2.500 militairen uit België, Tunesië, Bangladesh en Ghana. Dat was de helft van de manschappen die experts nodig achtten. Het was bovendien een operatie op de pof; het UNAMIR-budget werd pas in januari 1994 goedgekeurd.

Voor zijn vertrek stelde kolonel Marchal de legertop voor de paraofficieren die aan de UNAMIR-operatie deelnamen te laten briefen over de Rwandese situatie door de Gentse academicus Ruddy Doom. ‘Compleet overbodig’, oordeelde de legertop. Toen hij aandrong op zwaardere bewapening voor de para’s, luidde het antwoord: ‘Waar klaag je over? Je vertrekt naar de Club Med!’

Geen issue

De VN vroegen om 800 Belgische soldaten en kreeg er 480. Dat was minder dan het aantal dat in oktober 1990 na oplaaiende moordpartijen tussen Hutu’s en Tutsi’s naar Rwanda was gestuurd voor de operatie Green Beam om er samen met Franse legionairs de rust te herstellen en landgenoten te evacueren.

De VN-missie in Rwanda begon op het moment dat een andere missie in Somalië eindigde met een pijnlijke terugtrekking, vooral voor de Amerikaanse vredestroepen. Televisiebeelden van lijken van Amerikaanse soldaten in de straten van Mogadishu deden president Bill Clinton, onder druk van het Congres, besluiten dat de VS niet langer bereid waren dit soort VN-missies te ondersteunen.

In het New Yorkse VN-hoofdkwartier leek niemand begaan met het verloop van de UNAMIR-missie. Anthony Lake, een veiligheidsadviseur van Clinton, gaf later toe: ‘Rwanda was voor ons geen issue.’ Ook niet toen kolonel Marchal en generaal Dallaire begin januari 1994 door een informant, met codenaam Jean-Pierre, werden ingelicht over nakende slachtpartijen en moordaanslagen op para’s om de Belgische regering te dwingen de missie af te blazen. De vraag om de informatie op te volgen werd door de VN afgeblokt. Naderhand bleek Jean-Pierre, die in werkelijkheid Abubakar Turatsinze heette, een dubbelagent te zijn die zowel voor het regime van Habyarimana als voor de het Tutsi-leger van Paul Kagame werkte.

De Belgische regering en de legertop hebben ook nooit rekening gehouden met het feit dat het regime van Habyarimana, dat Franse en Belgische sympathie genoot, stevig bewapend was. Tussen 1990 en 1993 kocht Rwanda voor liefst 83 miljoen dollar wapentuig via België, Frankrijk, ZuidAfrika en de Volksrepubliek China. Nog voor hij secretaris-generaal van de VN werd, verkocht Boutros Boutros-Ghali als Egyptisch minister van Buitenlandse Zaken voor 6 miljoen dollar mortierbommen, granaatwerpers en munitie aan het Rwandese regime. De machetes waarmee honderdduizenden Tutsi’s en Hutu’s werden afgeslacht, kwamen uit China.

Al die tijd werkte het Rwandees Patriottisch Front (RPF) aan de opslag van wapens in Oeganda, langs de grens met Rwanda. VN-waarnemers mochten dat gebied niet betreden. Ze getuigden naderhand van nachtelijke transporten van en naar het grensgebied. Iedereen wist ook dat Kagame was opgeleid door het Amerikaanse leger in Fort Leavenworth, vlak voor hij de leiding nam van het RPF. Voordien stond hij in Oeganda aan het hoofd van de militaire inlichtingendienst van sterke man Yoweri Museveni.

Eind januari 1994 waren er erg woelige demonstraties in Kigali. In februari woedde vijf dagen lang een regelrechte burgeroorlog. Brussel werd door kolonel Marchal minuut na minuut op de hoogte gehouden. Niemand reageerde.

Salongeneraal

Op 6 april 1994 werd de Mystère-Falcon van de Rwandese president Juvénal Habyarimana door onbekenden uit de lucht geschoten. In het vliegtuig, een cadeau van de Franse president François Mitterrand, zat ook de Burundese president Cyprien Ntaryamira. Het tweetal keerde terug uit Tanzania na een ontmoeting met andere Afrikaanse leiders.

Wie met de aanslag het startsein voor de genocide gaf, blijft een raadsel. Hutu-extremisten die uit waren op een finale afrekening met de Tutsi’s? Of was dit het werk van het RPF van Kagame dat, zoals ook ambassadeur Johan Swinnen hier opmerkte, niets deed om de maandenlange slachtpartijen te stoppen? Bovendien waren de afweerraketten waarmee het vliegtuig van Habyarimana uit de lucht werd gehaald, aangevoerd vanuit Oeganda naar Kigali via de RPF-bevoorradingskanalen.

Het is in elk geval opmerkelijk dat de VS en het Verenigd Koninkrijk zich altijd hebben verzet tegen een onderzoek naar het aandeel van de RPF in de aanslag op Habyarimana, en naar de slachtpartijen nadien in Rwanda maar ook in Oost-Congo. Boutros-Ghali zocht president Clinton op terwijl de slachtpartijen aan de gang waren en kreeg van hem te horen dat Rwanda ‘een marginaal probleem’ was.

Een dag na de aanslag zette het RPF zijn offensief in. ‘Dat was niet mogelijk zonder lange voorbereiding,’ zei kolonel Marchal. ‘De Amerikanen hielden nog voor de aanslag 250 Rangers en gevechtshelikopters klaar in Bujumbura in Burundi om hun burgers uit Rwanda te evacueren. De Fransen beschikten in Kigali over een uitstekende luisterpost, tot ergernis van het RPF. De onderofficieren die de post bemanden, werden na de aanslag meteen omgebracht. Blijkbaar waren er die meer wisten dan wij.’

Meteen na de aanslag werden Belgische paracommando’s, na overleg tussen het VN-commando en het Rwandese leger, belast met de bescherming van premier Agathe Uwilingiyimana die een radiotoespraak moest houden. Een fatale opdracht, zo bleek. De te licht bewapende Belgen werden door Rwandese soldaten ontwapend en afgemaakt.

Generaal Dallaire passeerde op het moment van het drama in de buurt van Camp Kigali en zag daar drie Belgische blauwhelmen op de grond liggen. Dallaire reed door. Hij informeerde niet eens Marchal, die later tussen stapels lijken de Belgische para’s moest identificeren.

Marchal, die dagenlang onafgebroken het hoofd trachtte te bieden aan de moordende chaos, sprak nooit een onvertogen woord over Dallaire. Als hij al opmerkingen had, dan hield hij die voor zich. Generaal Jean-Claude Fourcade, die de Franse evacuatie leidde, was minder terughoudend en noemde Dallaire ‘een salongeneraal’.

Dat kon van Marchal, een veteraan van de Congolese operaties in Shaba en Kolwezi, niet worden gezegd. Toch werd hij na zijn gedwongen terugkeer uit Kigali voor het krijgsgerecht gedaagd, wegens ‘onopzettelijke doding door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg’. Hij werd vrijgesproken. Maar nadien moest hij zich nog eens verantwoorden voor een senaatscommissie bevolkt met leunstoelstrategen. Het werd een ziekmakende vertoning. Franstalige liberalen deden niet eens moeite om hun sympathie voor Kagame te verbergen. Er moest een zondebok worden gevonden. Marchal, die zich in Kigali onberispelijk en moedig had gedragen, werd er publiekelijk vernederd. Na twintig jaar hebben de politiek en de legertop dat onrecht nog altijd niet rechtgezet.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud