De onbetrouwbare staat

©Photo News

De expertencommissie voor de Pensioenhervorming haalt haar deadline niet en zal pas na de verkiezingen van 25 mei haar bevindingen rapporteren. Gooi dus maar weg die partijprogramma’s. Want het staat nu al vast: in de loop van de nacht van 25 op 26 mei worden alle politieke partijen door de werkelijkheid overvallen.

Het publiek behoeden voor paniekzaaiers is zeker een nobel streven. Wie die opdracht met grote overtuiging ter harte neemt, is Gilbert De Swert, voormalig hoofd van de studiedienst van de christelijke vakbond ACV en een specialist in kwesties van sociale zekerheid. Alleen als het over de betaalbaarheid van de pensioenen gaat, schakelt De Swert met zijn ontkenning al eens in overdrive, en komt hij heel dicht de buurt van wat anderen negationisme zouden noemen. Zogenaamde ‘menings(ver)vormers’, de Cassandra’s, moeten het dan ontgelden. Onder hen politici, professoren, bedrijfsleiders en journalisten, ‘die zelf een heel mooi pensioen hebben voor een korter dan volledige loopbaan’.

Laatst roerde De Swert nog eens de oorlogstrom in een bijdrage voor Deredactie.be, kennelijk een repliek op ‘Uw pensioen onder vuur? Vecht terug!’, het onheilspellende boek van de VUB-emeritus Jef Vuchelen en de econoom en beleggingsdeskundige Mark Scholliers. Daarin leggen de auteurs uit dat de overheid binnen afzienbare tijd niet langer in staat is haar pensioenverplichtingen te honoreren. Waarmee zij bijna letterlijk herhalen wat gewezen sp.a-minister Frank Vandenbroucke destijds al voorspelde.

Vandaag maakt Vandenbroucke, inmiddels verbonden aan de KU Leuven, deel uit van de commissie van experts voor de Pensioenhervorming. Die commissie, die eind maart haar conclusies moest neerleggen, liet eerder deze week weten dat ze haar deadline niet haalt. Pas in juni, na de verkiezingen van 25 mei, worden de langverwachte bevindingen gerapporteerd.

Commissieleden beweren met de hand op het hart dat de vertraging alles te maken heeft met de ingewikkeldheid van het pensioensysteem en vooral met het belang van de ingrijpende hervormingen die zullen worden aangereikt. Al lijkt het meegenomen dat de besluiten van de commissie buiten het campagnegewoel blijven en haar verstrekkende hervormingsvoorstellen niet meteen door de partijmachines in de grond worden geheid.

De Swert heeft zijn besluiten wel al neergelegd: ‘Begin 2013 kreeg een gepensioneerde uit de privésector (werknemers en zelfstandigen) gemiddeld 1.025 euro per maand. Een werknemer 1.040, een zelfstandige 992, een man 1.154, een vrouw 907, een weduwe 936 euro’, luidt zijn vaststelling. En meteen begrijpt men waarom de academica Bea Cantillon, ook lid van de commissie voor de pensioenhervorming, eerder al tot het besluit kwam dat onze pensioenen de armoede in de hand werken. De Europese armoedegrens ligt op 1.000 euro per maand voor een alleenstaande. Heel wat gepensioneerde vrouwen en weduwen zitten daar dus een stuk onder.

En dan komt een eerste verrassende conclusie van De Swert: ‘Frappante cijfers, maar zonder serieuze betekenis. Omdat het gemiddelden zijn.’ Al geeft hij toe dat het gros van de privépensioenen tussen 1.000 en 1.500 euro ligt, dus op of amper boven die Europese armoedegrens.

En als die privépensioenen wat laag uitvallen, en vooral de pensioenen van beterverdieners een inkomensduik betekenen vergeleken bij het laatste inkomen, dan is er nog geen been gebroken, vindt De Swert. Want, volgens hem, zijn vrij veel gepensioneerden vooraf gewend aan een lager inkomen, als bruggepensioneerde, werkloze of invalide. Met andere woorden: ze waren toch al bijna arm.

Bovendien moeten we die armoede ook weer relativeren, doceert de columnist. Want ruim 80 procent van die ouderen is ook eigenaar van een woonst. Als we die in rekening nemen, dan daalt het armoedepercentage onder de Belgische gepensioneerden al meteen van een op de vijf naar 13 procent. Dat ze in Wallonië misschien anders denken over die Belgische ‘statistische gemiddelden’, kan De Swert kennelijk niet verstoren in zijn betoog.

Dat de verkoop van dat huis niet zal volstaan om het pensioen te betalen, en dat het bezit ervan voor de gepensioneerde neerkomt op een bijkomende verzekering tegen mogelijke dure gezondheidszorg, laat hij helemaal onbesproken.

Het systeem wordt, volgens hem, niet alleen financieel ondermijnd door andere pijlers van het pensioensparen, maar nu ook psychologisch. Want ‘naarmate meer werknemers meer aanvullend pensioen opbouwen, zullen ze minder interesse hebben voor een degelijk wettelijk pensioen’, schrijft hij.

Een eigenaardige redenering is dat. De vlucht naar aanvullende pensioenen is net het gevolg van de onbetrouwbaarheid van de overheid, die telkens terugkomt op gemaakte afspraken en het wettelijke pensioen ook nog eens fiscaal afroomt. Bovendien kan die overheid, zoals Vandenbroucke al aangaf, de toekomst van het pensioensysteem niet eens garanderen. Zelfs de nu al zo lage pensioenen zijn op termijn onbetaalbaar.

Schaatsen in de stroop

En langer werken alleen lost het probleem voor de volgende regeringen niet op. Vandaag moet een werknemer, die daarvoor 16 procent op zijn loon afdraagt, minstens vier jaar werken om later een jaar wettelijk pensioen betaald te krijgen. Zelfs vijftig jaar werken zou dus niet volstaan om het systeem overeind te houden.

De Swerts betoog illustreert echter de manier waarop ook het beleid en sommige sociale partners het pensioenprobleem voor zich uit hebben geschoven. Blijkt ineens dat de OCMW’s van de Vlaamse gemeenten tegen een schuld van nagenoeg 2 miljard euro aankijken, ook al een gevolg van de oplopende pensioenlasten. Nochtans wist iedereen dat die eraan kwamen.

Maar vermits niemand echt betaalt, blijft de rekening oplopen. Af en toe wordt wat gesleuteld aan onderdelen van het sociale systeem, alsof dat geen verband houdt met wat op andere terreinen of in de rest van het land en Europa gebeurt. Op die manier liepen probleemdossiers als dat van de pensioenen de afgelopen decennia vast in een kleverig beleid. ‘Schaatsen door de stroop’, noemde de Nederlandse columnist Marc Chavannes dat ooit.

En nu hangt ons ook nog een deflatiewolk boven het hoofd. Bij de Europese Centrale Bank (ECB) aarzelen ze nog om de kwantitatieve versoepeling aan te wenden - een dure uitdrukking voor een nieuwe redding van de banken, want die zitten door de aanhoudende lage rente alweer op hun tandvlees. Een nog lagere rente dreigt het hele bankenmodel in elkaar te doen klappen. Want de banken moeten hun kapitaal stijven, op een moment dat de rente door de ECB laag wordt gehouden, met als gevolg dat hun inkomsten uit renten op spaargeld en andere beleggingsvormen naar beneden donderen.

Ze willen daar in Frankfurt nog even de kat uit de boom kijken en de rente ongemoeid laten, minstens tot juni. Maar als het toch misloopt, is het niet denkbeeldig dat de ECB voor enkele triljoenen euro’s obligaties uit de markt moet kopen, gewoon om de boel bij elkaar te houden en te beletten dat de schulden exploderen.

Niet alleen de banken, maar ook de verzekeraars, de leveranciers van pensioenplannen, bij wie het water al aan de lippen staat, krijgen het dan moeilijk om hun langere termijnengagementen na te komen. Aan de gevolgen van zo’n deflatiecrisis voor een met schulden beladen land als België wensen de partijen, die na 25 mei een regering moeten vormen, niet te denken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud