De zonden van de vaders

De sp.a wordt alleen nog bevolkt door cabinetards die hun carrièreplanning in het honderd zien lopen. De voorzittersverkiezing wordt dan weer mee gestuurd door de oude generatie die de dreun van de Agustaaffaire nog altijd niet heeft verteerd.

Paleis Der Natie is de wekelijkse opiniebijdrage van Rik Van Cauwelaert.

Het debat tussen sp.avoorzitter Bruno Tobback en zijn telegeleide uitdager John Crombez woensdag in Gent leek wel een uitruil van socialistische tegelwijsheden. Het historische kader van de Vooruit benadrukte nog feller de mediocriteit van het spektakel dat als een ideeënstrijd was aangekondigd. Geen van beide kandidaten had zelfs maar een aanzet van een idee over hoe het verder moet met de partij. Al kon voorzitter Tobback dat beter verhullen dan opponent Crombez.

©Saskia Vanderstichele

In de aanloop naar de confrontatie peilde de organiserende krant De Morgen naar de oorzaken van de neergang van de partij. Het was een opmerkelijke reeks, omdat geen van de aanbrengers van de onthullingen zijn naam vermeld wilde zien. Dat zegt alles over de verdeeldheid, het wantrouwen en zelfs de haat tussen de fracties in de sp.a. De oorzaak ligt grotendeels bij de Agusta-zaak, die in februari 1995 als een sloophamer op de partijtop neerkwam.

In die dagen had voorzitter Louis Tobback het op het partijcongres over het einde van een generatie. ‘Mijn generatie’, voegde hij daaraan toe. Al snel bleek dat Tobback zich van een retorisch trucje had bediend. Zijn generatie heeft nooit het harnas afgelegd. Tobback en zijn generatiegenoten zijn gewoon blijven zitten, zij het op hun lokale machtsbases, om vandaaruit - via hun kinderen, pupillen of protegés - de partij aan te sturen, en nu en dan een oude rekening te vereffenen.

De uitschakeling van Frank Vandenbroucke in 2009, na een nochtans voortreffelijke persoonlijke verkiezingsuitslag, was er zo één. Vandenbroucke was en bleef voor de oude sp.a-garde ‘een tsjeef’, gesopt en gekookt in Leuvense universitaire kringen. Oud-senator Guy Moens beweerde half serieus dat Vandenbroucke, gewezen lid van de Revolutionaire Arbeidersliga, door de trotskisten was uitgestuurd om de partij van binnenuit te vernietigen.

Zonder Agusta kwam Patrick Janssens noch Steve Stevaert ooit in de buurt van de voorzittersstoel, en was de sp.a zes vernietigende jaren bespaard gebleven.

Nog onder paars liet Elio di Rupo (PS) zich dan weer ontvallen dat hij de liberalen beu was, ‘en dus ook Frank Vandenbroucke’. En omdat ze bij de sp.a hun PS-sabbeldekentje niet durven te lossen, werd Vandenbroucke naar de Vlaamse regering gestuurd en finaal helemaal aan de kant gezet. In 2011 hield hij de eer aan zichzelf en stapte uit de actieve politiek.

De hele generatie die met Karel Van Miert had gewerkt en graag als vriendenkring naar buiten trad, werd door de omkoopaffaire uit elkaar geslagen. Van Miert was buitenmaats ontgoocheld door de manier waarop zijn vrienden - en dan vooral Louis Tobback - zonder pardon zijn vrouw Carla Galle, die partijsecretaris was geweest, hadden opgeofferd om hun vel te redden. Moedeloos liet hij zich naderhand al eens ontvallen dat hij zich van partij had vergist.

Willy Claes werd gemeden. Luc Van den Bossche nam ontslag uit de paarse regering die hij had helpen vormen om een stevig betaalde CEO te worden bij Brussels International Airport Company, en nadien ook bij de Gentse Optima Bank. Norbert De Batselier verdween met een vorstelijke aftredingsvergoeding van het Vlaams Parlement richting Nationale Bank van België. Freddy Willockx trok zich terug in Sint-Niklaas, Louis Vanvelthoven in Lommel in Limburg, Louis Tobback in Leuven en Marcel Colla bronzeerde verder in zijn vakantieverblijf. Wie wat had gekregen van de om en bij 100 miljoen frank van Agusta en Dassault werd nooit achterhaald. Maar ineens stonden ze daar dan, de kinderen van ‘de verloren generatie’: Freya Van den Bossche, Bruno Tobback, Peter Vanvelthoven, Maya Detiège, Hilde Claes.

Kameraden met pedigree

Zonder Agusta kwam Patrick Janssens noch Steve Stevaert ooit in de buurt van de voorzittersstoel, en was de partij zes vernietigende jaren bespaard gebleven.

Voor Janssens was het voorzitterschap dat hij in 1999 opnam één grote reclameoefening en de aanloop naar het burgemeesterschap van Antwerpen, waar burgemeester Leona Detiège in 2003 brutaal werd uitgeschakeld. In 2006 won ‘Patrick’ - van de sp.a was geen sprake meer - de Antwerpse gemeenteverkiezingen met glans. Die zondagavond stonden de Vlaamse beau monde uit de entertainmentwereld en de culturele kongsi’s zichzelf te fêteren op de Grote Markt. Arbeiders waren daar amper te zien. Die stonden er zes jaar later wel, toen Bart De Wever ’t Schoon Verdiep opeiste.

In 2006 was Steve Stevaert, de opvolger van Janssens, al geen voorzitter meer. Hij leidde de partij amper twee jaar, maar plande vooral de eigen carrière. Maatschappelijke problemen, zoals het samenleven van Vlamingen en nieuwkomers, de noodzakelijke hervormingen van pensioenen en arbeidsmarkt, het was onder Stevaert niet aan de orde. De Limburger koos voor kleine verhaaltjes over de politiek, gemakkelijk verteerbaar voor de media. En hij vertelde ze alsof hij het ook maar van horen zeggen had. Op het uitdelen van belastinggeld na was van een echt programma geen sprake. Er was maar één programmapunt: macht, met de bijbehorende benoemingen voor de kameraden met pedigree.

In 2005 eiste Stevaert plots het Limburgse gouverneurschap op. ‘In Limburg komt het geld uit de grond’, wist hij. Dan had hij het over het pak financiële middelen overgebleven na de sluiting van de steenkoolmijnen. En hij zou die gaan beheren en verdelen. Met die buit in handen voelde Stevaert zich ineens bankier. Hij liet zich installeren als voorzitter van de verzekeraar Ethias, de thuishonk van de sp.a en de PS, waar hij prompt mee het First-debacle aanrichtte. In september 2008 moest Stevaert bij de federale, de Vlaamse en de Waalse regering elk een half miljard euro schooien om Ethias overeind te houden en een depositogarantie loswrikken voor de houders van die riskante First-rekening, nochtans een verzekeringsproduct. Bij Arco lieten ze die kans niet liggen om voor hun coöperanten een gelijkaardige depositiegarantie te eisen.

Stevaert werd opgevolgd door Johan Vande Lanotte, die amper belangstelling had voor het voorzitterschap, alleszins minder dan voor de investeringen en het ondernemerschap in en rond zijn stad Oostende. In 2007 werd Caroline Gennez in de voorzitterszetel geduwd, maar nooit ernstig genomen. Na de publicatie van haar ‘Manifest voor een ander Europa’ werd ze door Karel Van Miert naar haar mandje geblaft. Dat ze Spirit-reizigers zonder bagage, zoals Bert Anciaux, aan boord bracht, leverde haar de hoon van de oude garde op. Maar die hielp haar dan weer om Vandenbroucke te defenestreren.

In 2011 werd Bruno Tobback voorzitter van een groep verkozenen, want van een partij was toen al geen sprake meer. Dat werd duidelijk bij de verkiezingen van juni 2014. Toch vond geen enkele van de oude kopstukken na de pijnlijke nederlaag de moed om tegen Tobback te zeggen dat hij beter ontslag kon nemen. Al die cabinetards en gewezen ministers en staatssecretarissen zagen wel hun carrièreplanning in het honderd lopen, en dat stak. Daarom werd John Crombez als kandidaat-voorzitter uitgezonden. Van hem weten ze dat hij de gevestigde belangen niet in het gedrang zal brengen. Tobback nam de handschoen op, wetend dat het om zijn politieke overleving gaat. Maar dan moet hij wel winnen.

Ooit stelde de Nederlandse PvdAvoorzitter Wouter Bos dat ‘het pad naar de nieuwe sociaaldemocratie smal zou zijn, als het al werd gevonden’. In Vlaanderen is de sp.a alvast het spoor bijster. Dat is woensdag gebleken, uitgerekend in de Vooruit in Gent.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud