Duaal leren, hoe het wel en niet moet

Ivan Van de Cloot

Al jaren wordt geijverd voor een volwaardig systeem van duaal leren in ons onderwijs, waarbij leerlingen een deel van hun opleiding op de werkvloer volgen.

De term duaal mag u letterlijk nemen. De aanbieders - scholen, opleidingsinstituten en opleidingsbedrijven - moeten leerlingen enerzijds theoretische en anderzijds praktische kennis bijbrengen, terwijl de enerzijds publieke en anderzijds private actoren beide verantwoordelijk zijn voor het beleid.

Na de proefprojecten is het de bedoeling het systeem vanaf dit schooljaar te veralgemenen. De nog lopende discussies gaan over wie de inhoud van de opleidingen in duaal leren moet vastleggen. In welke mate kan dat in overleg en overstijgen de werkgevers en onderwijsverstrekkers hun wantrouwen?

Verenigd Koninkrijk

Vlaanderen kan veel leren uit de ervaringen van landen waar het stelsel een groot succes is, zoals Zwitserland en Duitsland. Maar het kan ook erg nuttig zijn om lessen te trekken uit de ervaringen van landen waar het niet lukte. Al in de jaren 80 maakte het (Duitse) duaal systeem furore in het Verenigd Koninkrijk. In de jaren 90 werden voor tal van industrieën 800 National Vocational Qualifications (NVQ) - een soort diploma dat aangeeft dat je over bepaalde competenties beschikt - ingesteld. Tien jaar later moest voor de helft van de NVQ-programma’s de eerste kandidaat nog verschijnen. De helft bleek ook niet meer dan een relabelling van andere stelsels.

©Photo News

Voor sociaaldemocraten was het niet evident dat kamers van koophandel inspraak kregen in het bepalen van de onderwijsinhoud. De vrees bestond dat bedrijven onvoldoende algemene opleiding zouden aanbieden en studenten vooral bedrijfsspecifieke kennis zouden opdoen. Voor de bedrijven was het dan weer niet evident dat ze verplichtingen kregen opgelegd in de vorm van stages en begeleiding.

Het liep mis. Terwijl het duaal stelsel in Duitsland en Zwitserland gestaag gegroeid was, dacht het VK dat via een blauwdruk te kunnen introduceren. De conclusie was dat formele opleidingsverplichtingen in de praktijk niet zomaar informele normen kunnen vervangen, ook al omdat de bevoegde Britse expertcomités er niet in slaagden geloofwaardige sets van competenties op te stellen die zowel werknemers als bedrijven waardeerden.

Zwitserland

Het Zwitserse systeem is wel een succes. In 2017 gingen een aantal Vlaamse ministers daarom op studiereis naar Zwitserland, waar het systeem liefst twee derde van de jongeren bereikt en het wordt gebruikt voor zowat alle opleidingsniveaus en bedrijfssectoren. Volgens professor Stephane Graelli van de universiteit van Lausanne is het duaal onderwijs misschien zelfs de belangrijkste reden voor de sterkte van het Zwitsers economisch model.

De sleutel van dat succes? Alle partners nemen hun verantwoordelijkheid, zowel de confederatie, de kantons als de professionele organisaties (vakbonden en bedrijven). Het valt niet te onderschatten in welke mate Zwitserse bedrijven zelf investeren in het duale stelsel. Ze investeren naar schatting gemiddeld 21.000 euro per leerling per jaar. Ze zorgen er ook voor dat leerlingen op school kunnen werken met up-to-date uitrusting.

Doordat iedereen aan hetzelfde zeel trekt, zijn de opleidingen in de schoolse klas, in het bedrijf en de sectoropleidingen complementair. Via de zogenaamde Berufsmaturität kunnen studenten nog altijd de overstap maken vanuit het duale stelsel naar de universiteit. De bedrijven volgen zelf gedetailleerde opleidingsprogramma’s en stellen ervaren werknemers als gekwalificeerde mentor ter beschikking voor de stagebegeleiding.

In de landen waar duaal leren tot grote tevredenheid van zowat iedereen functioneert, vormt het een bewuste, positieve keuze voor de leerlingen.

Een cruciaal element van het stelsel is de rolverdeling tussen de partners. De landelijke overheid is verantwoordelijk voor de strategische planning van het hele systeem en draagt voor 25 procent bij aan de publieke financiering ervan. De kantons kennen een grote autonomie: ze bepalen mee de beroepskwalificaties en zijn verantwoordelijk voor het onderwijs en voor 75 procent van de publieke fondsen. De derde partij, die met private fondsen bijdraagt aan het duale systeem, zijn de vertegenwoordigende partijen in de beroepssectoren. Zij hebben een grote rol bij de bepaling van de inhoud van de curricula. Ook de vakbonden spelen via de ondernemingsraden een belangrijke ondersteunende rol.

Om de introductie van het duaal leren bij ons succesvol te maken is het essentieel dat het gebeurt in een context waar deeltijds onderwijs niet langer wordt gezien als de laatste stap van het watervalsysteem en als een uitweg voor schoolmoeë leerlingen. In de landen waar het systeem tot grote tevredenheid van zowat iedereen functioneert, vormt het een bewuste, positieve keuze voor de leerlingen. De buitenlandse ervaringen tonen ook aan dat het een illusie is te denken dat het duaal leren voor iedereen zal werken. Daarom is het belangrijk dat er voor leerlingen die het moeilijk hebben een stageplaats te vinden nog altijd alternatieven zijn om een volwaardig diploma te behalen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content