Een nevelige oligarchie

Een parlementslid geniet de grootst mogelijke vrijheid in zijn politieke handelen. Dat is de theorie. Want de partijen leggen die vrijheid stevig aan banden, blijkt uit onderzoek van de jonge historicus Frederik Verleden.

©Saskia Vanderstichele

In zijn studie ‘De vertegenwoordigers van de natie in partijdienst’ citeert Frederik Verleden de bekende uitspraak van Achille Van Acker: ‘De belangrijke beslissingen worden niet meer door de Kamer genomen zoals vroeger.’

Van Acker wist waarover hij sprak. Hij was 29 toen hij in 1927 volksvertegenwoordiger werd. Na de Tweede Wereldoorlog leidde hij vier regeringen, waaronder de paarse regering die de Schoolstrijd ontketende. Daarna was hij 14 jaar voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, in een periode dat het Kamervoorzitterschap nog geen deel uitmaakte van de posten die de nieuwe meerderheid verdeelt.

Die machtsverschuiving, de gedaanteverwisseling van de partijen en hun relatie met de parlementsleden, heeft Verleden onderzocht. Al beperkt zijn onderzoek zich tot de periode 1918-1970, toch verklaren zijn bevindingen het huidige optreden van de partijen en van hun mandatarissen. De titel van zijn studie geeft al aan waar het op staat. Het parlementslid mag dan de vertegenwoordiger van de natie zijn, hij opereert wel in partijdienst.

In zijn memoires beschreef Gaston Eyskens die groeiende greep van de partijen op de verkozenen. Dat overwicht was volgens de oud-premier zo groot geworden dat de parlementsleden niet meer door het volk, maar door de partijen of fracties in die partijen worden aangewezen.

De socialist Emile Brunet, Kamervoorzitter in de jaren twintig, had het zelfs over een contract tussen de partij en de volksvertegenwoordiger. Als die laatste het oneens was met zijn partij, was sprake van een contractbreuk, aldus Brunet, die zelf geregeld overhoop lag met zijn partij. De Belgische Werkliedenpartij was overigens de eerste partij die bij de oprichting beschikte over grondbeginselen vastgelegd in het Charter van Quaregnon en statuten, die de leden en de verkozenen moesten naleven. Geholpen door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht stak de sterk georganiseerde BWP na de Eerste Wereldoorlog de Liberale Partij voorbij en werd ze de tweede politieke familie van het land.

De partijtucht in de socialistische partij werd vaak toegeschreven aan de financiële afhankelijkheid van hun parlementsleden. Maar in de woelige jaren dertig, toen de extreemrechtse partijen, VNV en Rex, en de communisten samen een vierde van alle parlementszetels bezetten, was de verwarring bij de socialisten even groot als die bij de katholieken en de liberalen. Het was in die dagen dat socialisten als Paul-Henri Spaak plots begonnen over ‘nationaal socialisme’, en Hendrik De Man over ‘autoritaire democratie’, tot grote ergernis van tal van hun partijgenoten.

Volgens Verleden zijn de partijen zich na de Tweede Wereldoorlog echt gaan organiseren, want geleerd door de ervaringen van de jaren dertig maar ook door de politieke verwarring tijdens de Koningskwestie, die het land op de rand van de burgeroorlog bracht. Niet alleen de socialisten, ook de christendemocraten, onder druk van de arbeidersbeweging ACW, en later ook de liberalen, aangestuurd door Omer Vanaudenhove, versterkten en professionaliseerden hun partijorganisaties.

De invloed van enkele doortastende voorzitters, zoals de socialist Max Buset, Theo Lefèvre bij de CVP en Vanaudenhove van de liberale PVV, was daar uiteraard niet vreemd aan, dat beweerde Eyskens in zijn memoires en wordt door Verleden bevestigd. Theo Lefèvre was overigens een voorstander van de professionele parlementair.

In de partijen bleven wel de communautaire twistpunten bestaan. Na het trekken van de taalgrens, en zeker na Leuven Vlaams, werden die tegenstellingen nog scherper, vooral in de christendemocratische fractie. Franstaligen en Vlamingen gingen apart vergaderen. Robert Houben, de laatste unitaire voorzitter van CVP-PSC, kon niet anders dan de definitieve breuk vaststellen toen hij op een dag als enige opdaagde voor een vergadering met de twee taalgroepen. Die communautaire verdeeldheid tastte allengs ook de andere traditionele partijen aan, tot de splitsing erop volgde.

Nevelige oligarchie

De verhouding tussen de partij en haar verkozenen werd nog strakker na de invoering van de financiering van de politieke partijen door de overheid. Het wil nog wel eens gebeuren dat een parlementslid het oneens raakt met zijn partij. Dan zijn er maar enkele mogelijkheden: de verkozene bindt in en zwijgt, of hij gaat in de clinch met de partijtop, wat meestal een einde maakt aan zijn politieke loopbaan. Een dissident kan uiteraard ook overstappen naar een andere partij. Maar dan hangt zijn overlevingskans uitsluitend af van zijn electorale gewicht en van de politieke schade die de overloper de partij van herkomst kan toebrengen.

Door dat alles klonterden de partijapparaten en de fracties samen tot ‘een nevelige oligarchie’, aldus Verleden. ‘Die aanpak gaat voorbij aan de eigenlijke bedoelingen van de massapartijen, namelijk de parlementsleden laten optreden in functie van de partijbasis.’

Het Belgische parlementaire systeem wordt terecht een particratie genoemd. De hoofdrolspelers bij belangrijke besluit vormingen zijn de partijen.

Partijen zijn feitelijke verenigingen en hebben geen rechtspersoonlijkheid. Voor de werking van de parlementaire instellingen bestaan alleen de fracties. Toch wordt het Belgische parlementaire systeem terecht een particratie genoemd. De hoofdrolspelers bij belangrijke besluitvormingen zijn de partijen. Niet alleen bij het vormen van een regering, ook bij het maken van grote politieke afspraken zoals het Schoolpact en de grondwetsherzieningen treden de betrokken onderhandelaars op als vertegenwoordigers van hun partijen en niet als lid van een of andere Kamercommissie, stelt Verleden vast. Wat het nadien vrijwel onmogelijk maakt dat hun partijgenoten in de Kamer het bereikte akkoord neersabelen, zelfs al hebben zij grote bezwaren. Want de partij heeft het akkoord al bezegeld.

De grote vergaderzaal van de Kamer dient alleen als decor voor de afwikkeling van de formele, wettelijk voorziene parlementaire handelingen. De parlementaire meerderheid treedt in de Kamer op als de behoeder van de regering en van het regeerprogramma. Een dissidente stem in de meerderheid is hoogst uitzonderlijk. In het Vlaams Parlement is het voor een parlementslid van de meerderheid zelfs onmogelijk een minister te interpelleren zonder de toestemming van de meerderheid en de instemming van de betrokken minister.

Precies de vaststelling dat alles door de partijen vooraf in achterkamers wordt bedisseld en dat de parlementaire afhandeling slechts een schijnvertoning is, werkt de opkomst van bewegingen als de G1000 van David Van Reybrouck en stRaten-generaal in Antwerpen in de hand. Die initiatieven zijn niets ander dan blijken van wantrouwen in de parlementaire democratie zoals die door de partijen werd verbouwd.

Zo ontstaat dan wat de Nederlanders een hybride democratie noemen. En dat is niet zonder gevaar. Want die hybride democratie heeft een groot nadeel: het is geen democratie.

Frederik Verleden - De vertegenwoordigers van de natie in partijdienst - Inni Publishers (reeks ‘Standen en Landen’), 55 euro.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud