Advertentie
Advertentie

Een oud litteken

©ANP

Twee eeuwen geleden kwam het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tot stand. Op 21 september 1815 legde koning Willem I de eed af op het Koningsplein in Brussel. De herdenking in mineur van die verjaardag zegt iets over de relaties tussen Nederland en België.

©Saskia Vanderstichele

In zijn toespraak tot het Vlaams Parlement herinnerde de Nederlandse minister-president Mark Rutte eraan dat 200 jaar geleden, op 21 september 1815, koning Willem I met de hand op de grondwet de eed aflegde op het Koningsplein in Brussel. Daarmee was het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een feit. Het koninkrijk was een creatie van het Congres van Wenen en vormde, zo hoopten de grote Europese mogendheden, een bufferstaat tegen het altijd roerige, onberekenbare Frankrijk.

Vijftien jaar na de eedaflegging van Willem I, bijna dag op dag, tijdens de septemberdagen van 1830, brak het Verenigd Koninkrijk in twee. De Belgen hadden Willems constructie onderuitgehaald. Sommige Nederlanders vonden dat een zegen, zoals de antirevolutionaire politicus en historicus Guillaume Groen van Prinsterer, die schreef: ‘Wij waren verloren, zo God ons niet had gered. Hij scheurde België van ons af en strekte zijn beschermende hand over ons uit.’

In België zijn naderhand nooit ernstige pogingen ondernomen om de breuk te herstellen. Tenzij we dat ene listige plan van kroonprins Leopold, de latere Leopold II, ernstig nemen. Die speelde in de jaren 1850 met de gedachte om Nederland aan te vallen en meteen bij België in te lijven. De kroonprins, die enkele militairen had uitgestuurd om de slaagkansen van zijn aanvalsplannen te bestuderen, twijfelde geenszins aan de succesvolle afloop van zijn militaire onderneming. De Nederlandse katholieken zouden immers meteen in opstand komen en juichend het Belgische kamp kiezen. Zijn omgeving was daar minder van overtuigd, net als de Franse keizer Napoleon III, van wie overigens werd beweerd dat hij dacht aan de annexatie van België bij Frankrijk.

De invasieplannen van kroonprins Leopold kwamen ook wat laat. Zijn vader, Leopold I, en de Nederlandse koning Willem II hadden intussen al toenadering gezocht en gevonden na de Parijse opstand van 1848, die in heel Europa nadreunde. Leopold was de schoonzoon van de verdreven Franse koning Louis-Philippe en stond bijgevolg niet hoog aangeschreven bij de Franse revolutionairen. Willem huiverde dan weer bij de gedachte dat aan zijn achterdeur een Belgische republiek zou ontstaan.

Niettemin zou het nog jaren duren voor de relatie tussen België en Nederland genormaliseerd raakte. Dat kon pas nadat de Belgen tegen betaling van ruim 17 miljoen gulden ‘voor eeuwig’ de scheepvaartrechten op de Schelde hadden afgekocht. Maar echt hartelijk werden de relaties pas veel later. Want 1830 bleef toch een litteken dat nog altijd te zien is.

Zo alludeerde Fortis-voorzitter Maurice Lippens tot ergernis van de Nederlanders graag op de Belgische revolutie bij de overname van ABN AMRO, ontstaan uit de oude Nederlandsche Handelsmaatschappij opgericht door Willem I. De herdenking in mineur van de 200ste verjaardag van het ontstaan van het kortstondige Verenigde Koninkrijk der Nederlanden zegt iets over de blijvende gevoeligheden.

Ons Erfdeel publiceerde bij wijze van herdenking ‘Het (on)Verenigd Koninkrijk, een politiek experiment in de Lage Landen’, een schitterende verzamelbundel met opstellen van bekende Nederlandse en Vlaamse historici. Ons Erfdeel, een Vlaams-Nederlandse culturele instelling, was dat aan zichzelf verplicht. Uitgerekend vandaag zitten de leden van de Orde van den Prince, het Vlaams-Nederlandse genootschap voor taal en cultuur dat wereldwijd afdelingen telt, in Gent samen voor een feestelijke zitting met als thema ‘Willem I der Nederlanden, 1815-1830, koning en koopman voor Noord en Zuid.’

En het is wellicht niet toevallig dat in het stadsmuseum van Gent, ooit een van de bolwerken van het orangisme, de tentoonstelling ‘Het verloren koninkrijk, Willem I en België’ loopt.

Concullega’s?

Als de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen ter sprake komt, ligt de nadruk altijd op de gedeelde taal en de culturele verdragen. Al liep ook dat laatste in het verleden vaak hortend en stotend. In 1981 nog gaf de opening van de Brakke Grond, het Vlaams cultureel centrum in Amsterdam, aanleiding tot fors protest. De Nederlandse en Vlaamse artistieke beau monde deed het initiatief af als ‘een overbodige Belgenmop’.

Dat premier Rutte het Vlaams Parlement toesprak, is een gevolg van de bocht die diplomatiek Den Haag jaren geleden nam. Tot dan wachtte de Nederlandse diplomatie zich wel om belangstelling te tonen voor wat zich in Vlaanderen afspeelde, uit angst de indruk te wekken dat ze zich inliet met interne Belgische aangelegenheden. Dat veranderde allengs na de grote staatshervormingen van Jean-Luc Dehaene, door het toenemend aantal bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap, die sinds 1994 een eigen buitenlands beleid kan voeren over de materies waarvoor ze bevoegd is.

De deelregeringen hebben ook het recht internationale verdragen te sluiten, die geenszins ondergeschikt zijn aan die gesloten door het Koninkrijk België. Het belang van dat verdragsrecht wordt wel eens onderschat. Maar niet in Den Haag. De bedrijvige Nederlandse ambassadeur Antoine van Dongen, die Vlaanderen door en door kende, ging in samenspraak met Den Haag initiatieven ontwikkelen om het Rotterdamse en het Antwerpse havenbestuur nader tot elkaar te brengen en om een akkoord te vinden over de IJzeren Rijn, de spoorlijn van Antwerpen over Nederland naar het Duitse Ruhrgebied.

Laat dat nu net twee onderwerpen waarover premier Rutte zich in het Vlaams Parlement op de vlakte hield. Volgens hem zijn Antwerpen en Rotterdam ‘concullega’s ‘ geworden. Dat is beleefd uitgedrukt. Want twee verdragen tussen Nederland en België, over de IJzeren Rijn en over de uitdieping van de Westerschelde en de ontpoldering van de Zeeuwse Hedwigepolder raken maar niet uitgevoerd. En dat als gevolg van Nederlandse vertragingsmanoeuvres in het belang van de haven van Rotterdam. Over dat voortdurend ‘ja zeggen, nee verkopen’ rond de Hedwigepolder draaide de Nederlandse cineaste Digna Sinke recentelijk de prachtige, veelzeggende documentaire ‘Onder de oppervlakte’.

Gezamenlijke Nederlands-Vlaamse handelsmissies, zoals die onlangs naar Atlanta, zijn charmant en telegeniek. Wat zich tussen Antwerpen en Rotterdam en hun economische achterland afspeelt, is talloze keren belangrijker. Alleen wordt daar niet echt aan gewerkt.

Antwerpen en Rotterdam zijn geen concullega’s maar regelrechte concurrenten, die dagelijks een snoeiharde strijd leveren om elke ton vracht en daarom ongeremd uitbreiden.

Antwerpen en Rotterdam, de twee vooruitgeschoven havens van Duitsland, Oostenrijk en Midden-Europa, zijn geen concullega’s maar regelrechte concurrenten, die dagelijks een snoeiharde strijd leveren om elke ton vracht en daarom ongeremd uitbreiden. Terwijl in ieders belang het hele logistieke netwerk rond die havengebieden, zelfs de ontsluiting van Antwerpen, in overleg tot stand moet komen.

Want de twee wereldhavens, met daarnaast nog eens Vlissingen, Gent-Terneuzen en Zeebrugge, liggen pal in het midden van wat de Amerikaanse socioloog en urbaan wetenschapper Richard Florida als de rijkste en productiefste megaregio van Europa bestempelt. Het gaat hier om de grensoverschrijdende regio van Amsterdam en Rotterdam over de Ruhr en Keulen, Antwerpen en Brussel, tot Rijsel. En daarin ligt dan nog de tweede Europese kennisregio, de driehoek Eindhoven-Leuven-Aken.

Om deze megaregio verder uit te bouwen zal concullegiaal gedrag niet volstaan. Het moet tot een intense samenwerking komen, zoniet tot fusies - een woord dat premier Rutte zuinigjes in de mond nam. Wil het Vlaams Parlement zich nuttig maken, dan moet het daar eens over nadenken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud