De zoveelste rel over het vermeende racisme van de Antwerpse burgemeester Bart De Wever draaide nog maar eens uit op een woordenstrijd over het eigen gelijk. Bruikbare ideeën leverde dat niet op.

©Saskia Vanderstichele

Het wordt voorspelbaar. Telkens als de Antwerpse burgemeester en N-VA-voorzitter Bart De Wever meent zich te moeten uitspreken over het integratiebeleid, haasten alle mediaschutters zich achter hun boordkanonnen. Dan blijkt het land ineens over een pak islamspecialisten te beschikken die in elk praatprogramma hun kennis etaleren.

Het was niet anders met de jongste rel rond De Wever, die dit keer de Berbergemeenschap zou hebben geschoffeerd. Zoals in het verleden ontaardde de opstoot in een krakeel over het eigen gelijk. Maar een bruikbaar idee om het ontsporende integratiebeleid bij te sturen, bleef alweer achterwege.

In twee bijdragen in De Tijd werd de vinger nochtans heel precies op de kern van het probleem gelegd. In een eerste stuk werden de statistieken ontrold van de werkloosheid, de armoede en de schoolachterstand in een aantal Antwerpse probleemwijken. Wie de cijfers van de Nationale Bank bekijkt, stelt vast dat sommige cijfers, zeker die van de werkloosheid onder de Belgen van allochtone afkomst, nog schrijnender zijn in Brussel en Wallonië. Wat dan weer aantoont dat dit geen uitgesproken Vlaams, laat staan Antwerps probleem is, maar wel een armoede- en onderwijsprobleem. Dat werd bevestigd in een recente bijdrage in The Economist over de slaagkansen van de verschillende groepen in Frankrijk. Daar blijkt de sociale mobiliteit van Tunesiërs en Marokkanen groter dan die van Algerijnen, veelal Berbers, en Portugezen.

In zijn column in De Tijd had Andreas Tirez het over het belang van sociale mobiliteit en de nood aan investeringen in een gelijkekansenbeleid ‘waarvan de opbrengst pas binnen tien of twintig jaar te zien zal zijn’.

Nieuw is dat allemaal niet. Alleen hebben de Belgische traditionele partijen er de voorbije jaren amper aandacht aan besteed en zich een goed geweten gekocht bij het middenveld ‘met subsidies voor de nutteloze integratie-industrie’, zoals Khalid El Jafoufi en Abdelhay Ben Abdelalh van de webstek De Andere Mening terecht opmerken.

Pijnlijke passage

Goed tien jaar geleden verscheen in Frankrijk een interviewboek met Jean Daniel, de bekende medeoprichter en commentator van Le Nouvel Observateur, het totemweekblad van links Frankrijk. In ‘Cet étranger qui me ressemble’ overschouwde de oude strijdmakker van Jean-Paul Sartre, Pierre Mendès France en François Mitterrand zijn journalistieke loopbaan.

Jean Daniel werd als Jean Daniel Bensaïd geboren in Algerije, in een Joodse familie. Als jonge reporter maakte hij ophef met onthullingen over het Franse optreden in zijn geboorteland en over de folteringen van Algerijnse opstandelingen door het Franse leger. Daarom werd het weekblad waar hij toen voor werkte, L’Express, op last van de Franse regering meermaals uit de rekken gehaald.

Een pijnlijke passage in het interviewboek is die waar hem wordt gevraagd welke zijn grootste politieke ontgoochelingen waren. Want Daniel, die zijn linkse etiket als een ereteken droeg en al heel vroeg voor de dekolonisatie ijverde, moest toegeven dat hij de gevolgen van de massale migratie uit de Noord-Afrikaanse landen niet had zien aankomen. Het gevolg van dat migratiebeleid, zowel door rechts als door links, noemde hij zijn grootste ontgoocheling.

‘Aanvankelijk kwamen die landverhuizers uit de Arabische landen naar hier om hun kinderen een Franse opvoeding te geven’, zegt Daniel. ‘Maar gaandeweg is die houding omgeslagen en eisten de migranten dat de Franse overheid de cultuur die zij hadden achtergelaten voor haar rekening nam.’ En hij citeerde een van zijn vrienden, een Berber uit het Algerijnse Kabylië, die hem schreef: ‘Ik ben destijds naar Frankrijk gekomen om te ontsnappen aan de Arabisch-islamitische druk en die vind ik hier nu terug, maar nog verstikkender’.

De legerdienst, de gemengde scholen en de kerk, de doorgeefluiken van de Franse waarden, en bijgevolg ook van de integratie, werkten niet meer, stelde Daniel vast. Integratie werd gaandeweg een vies woord, vooral onder weldenkend links. Met als gevolg dat ‘Frankrijk is veranderd’, stelde hij.

Praten als Le Pen

Hij sprak er de opeenvolgende presidenten Valéry Giscard d’Estaing, François Mitterrand en Jacques Chirac op aan. Zij wuifden zijn opmerking hautain weg of haalden hun schouders op. Mitterrand voerde in 1981 campagne met de slogan ‘La force tranquille’ op een affiche waarop de toren van een dorpskerk was te zien. Daniel zei tegen hem: ‘Als u niet oplet, staan daar binnenkort twee minaretten naast.’ Mitterrand antwoordde korzelig: ‘U begint te praten als Le Pen.’ Waarop de journalist repliceerde: ‘Ik wil net voorkomen dat Le Pen u dit ooit voor de voeten gooit.’

Met zijn reductio ad Le Penum beschouwde Mitterrand de discussie als gesloten. Tot wanhoop van Daniel, die in de Parijse banlieue het ene getto naast het andere zag verrijzen. Vandaag rijden duizenden Fransen met ‘Je suis Charlie’ of ‘Charlie vivra’ op de autobumper. Ze doen dat heus niet allemaal omdat ze solidair zijn met de tekenaars van Charlie Hebdo die door islamitische terroristen werden vermoord. Die aanhoudende stickeractie verbergt een grote angst, en vaak ook racisme.

Wie dat allemaal al heel vroeg zag aankomen, was Mohammed Arkoun, een van de belangrijkste filosofen en islamgeleerden van zijn tijd en een vriend van Daniel. Arkoun was geboren in het Algerijnse Kabylië en ondervond als jonge Berber wat rechteloosheid en onderdrukking betekenen. Geschoold door Franse witte paters en gesteund door de befaamde oriëntalist Louis Massignon, belandde hij in volle Algerijnse oorlog via de universiteit van Algiers aan de Parijse Sorbonne. Daar doceerde hij vanaf 1971. Naderhand gaf hij gastcolleges in Amsterdam en Londen. Hij was ooit ook te gast aan de Gentse universiteit.

In al zijn uiteenzettingen was Arkoun, die in 2010 overleed, bijzonder hard voor het beleid dat de islam oppompt ‘tot een ideologisch monster overblijft dat overal de kop opsteekt’. Niet minder streng was hij voor de migrantengemeenschap, en vooral voor het bedenkelijke niveau van het godsdienstonderwijs van de imams die in Europa aan de slag zijn. ‘Domme en onwetende mensen zijn gevaarlijke mensen’, zei hij ooit over hen in een gesprek met het Nederlandse NRC. Hij wantrouwde daarom islamoloog Tariq Ramadan, ‘omdat die de traditionele uitgangspunten van de koranlectuur niet ter discussie stelt’ en daarom ‘opgesloten zit in een grote gevangenis’.

We dragen nu de gevolgen van ons eigen migratiebeleid. Het is niet te laat om die situatie te rechten.

Arkoun hield ook niet op te waarschuwen voor het allergrootste gevaar: de politisering van de islam. Hij had dat mechanisme in werking gezien in Algerije. Al heel vroeg voorspelde hij dat dit voor de grootste miserie zou zorgen in heel het Midden-Oosten, waar vóór de oorlog amper sprake was van fundamentalisten en radicale moslims. Vandaag zijn de grootste slachtoffers van de gepolitiseerde islam de islamitische jongeren, die nauwelijks wetend wat de sharia inhoudt, toch naar Syrië trekken om er te vechten voor Islamitische Staat, een criminele organisatie.

De belangrijkste hefbomen voor de integratie en vooral voor sociale mobiliteit van de islamitische gemeenschap zijn taal en onderwijs, benadrukte Arkoun. De depolitisering van de islam zou automatisch volgen. ‘Alleen hebben we de nieuwkomers onvoldoende uitgelegd wat we wel en niet voor hen kunnen doen’, betreurde Daniel.

Daar dragen we nu de gevolgen van. Al is het niet te laat om die situatie te rechten. Als we niet te beroerd zijn om fors te investeren in onderwijs, maar ook in de ondersteuning van gemeenschappen die geïsoleerd geraakten in de verpauperde binnensteden.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud