Effe doorrekenen

©doc

Al jaren woedt de discussie over het doorrekenen van de partijprogramma’s voor de verkiezingen. By all means, doen, zou ik zeggen. Elk initiatief dat ons voorbij de slogans helpt, is welkom.

Wel zijn overspannen reacties over de praktische uitwerking misplaatst. Ja, laten we vooral hopen dat de verkiezingsdebatten daardoor meer over de inhoud gaan. De bedoeling is inderdaad dat er concrete plannen op tafel komen in plaats van te blijven steken in lege retoriek. Maar zelfs doorgerekende plannen behouden heel wat eigenschappen van luchtkastelen in de politiek. En we beseffen beter ook dat elke doorrekening ook zijn beperkingen heeft.

Laten we alvast erkennen dat we niet de lange Nederlandse traditie hebben en dat het dus een leertraject zal zijn over vele verkiezingen vooraleer we naar een instrument evolueren dat een zekere voldoening geeft. Om maar te zeggen dat we het doorrekenen van de programma’s moeten relativeren. In Nederland hebben ze een team van tientallen ervaren economen bij het Centraal Planbureau die maandenlang in beslag genomen worden door deze opdracht. Dat stamp je in België niet zomaar uit de grond.

Bovendien mag ook van zo’n planbureau geen kennis verwacht worden die gewoonweg niet voorhanden is op deze wereld. Onlangs kwam ik nog een oud debat tegen dat ik in 2005 voerde met de voorzitter van de Vergrijzingscommissie. Die kon toen ook rekenen op de studiediensten van de overheid. De discussie ging onder meer over de hoogte van de budgettaire kosten van pensioen en andere sociale prestaties door de vergrijzing.

De wijze heren zwaaiden op basis van hun modellen destijds met een kostprijs van 3 procent van het bbp. De ramingen vandaag liggen driemaal zo hoog. De modellen gingen er toen bijvoorbeeld van uit dat de staatsschuld zou gedaald zijn tot 60 procent van het bbp tegen… 2014. Vandaag weten we dat dit een onderschatting is van maar liefst 150 miljard euro. En het is toch nog maar tien jaar geleden, of de duur van twee legislaturen.

De belangrijkste les is dat uitpakken met cijfers wel wat waarde heeft, maar dat het debat zich daar niet mag toe beperken. En laten we vooral niet toegeven aan de illusie dat één instantie - of het nu het Planbureau of een universiteit is - de waarheid in pacht heeft. Het zal een opdracht voor de media zijn om ervoor te zorgen dat ook over het gebruik van de cijfers verschillende opinies aan bod komen.

Ondertussen loopt er in de Zevende Dag al enige tijd een rubriek met zogenaamde fact checking. Niet zelden is er achteraf grote controverse over de interpretatie van de cijfers die daar gebracht werden. Misschien is het geen slecht idee om eerst een week lang de becijfering op de website van het VRT-programma te posten. Laat dan maar alle cijferfanaten op de analyse schieten, zodat onmiddellijk de verschillen in interpretatie naar boven komen.

Overigens zijn becijferde voorstellen van partijen niet helemaal nieuw. Tijdens vorige federale verkiezingen ging het debat ook enkele weken over niets anders, nadat Open VLD met cijfers uitpakte. Ik heb die cijfers nog liggen, maar wat is ervan uitgekomen? In een coalitiestelsel heeft zo’n plan sowieso een beperkte signaalwaarde. Al die verschillende plannen moeten immers na de verkiezingen in een grote pot, waar ze eens goed door elkaar worden geroerd. Het regeerakkoord is dan een mix van bepaalde cadeaus, maar die worden wellicht op een heel andere wijze gefinancierd dan in welk plan dan ook stond. In een systeem met coalitieregeringen is het misschien belangrijker de absolute taboes van de partijen te kennen dan hun constructieve voorstellen.

De kiezer doet er in elk geval goed aan te beseffen dat de geloofwaardigheid van een partij eerder afhangt van wat ze gerealiseerd heeft in haar regeerperiode dan van wat ze in electorale tijden op papier zet.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud