Geen reden voor schadenfreude over Britse crisis

Hoofdeconoom ING Duitsland

We laten leedvermaak om de Britse crisis best achterwege. Het schouwspel toont wat voor de eurozone misschien nog in het verschiet ligt.

Financiële chaos in het Verenigd Koninkrijk. Het pond dat valt als een baksteen. Een centrale bank die het ook niet meer weet en wanhopig probeert het vertrouwen terug te winnen. Betalen de Britten nu de prijs voor de brexit die niemand in de Europese Unie begreep?

Het is aanlokkelijk ‘ik zei het toch al’ en ‘hadden ze maar niet’ te zeggen. Schadenfreude dus, en die was de afgelopen dagen in veel Europese landen te merken. Een ongepaste schadenfreude. De Britse ervaringen van de laatste dagen nodigen meer uit tot bezinning dan tot dijenkletsen, want ze zijn mogelijk een waarschuwing voor wat de eurozone nog te wachten staat.

De Britse crisis heeft niets te maken met de brexit.

De Britse crisis heeft namelijk niets te maken met de brexit. De laatste dagen zagen we een wanhopige regering die alles uit de kast haalt om de negatieve gevolgen van de hoge inflatie voor bedrijven en mensen te compenseren. We zagen een centrale bank die radeloos slingert tussen de bestrijding van inflatie en het redden van de munt. Fenomenen die de rest van Europa bekend in de oren klinken.

Neem Duitsland. Hier groeit het besef dat de winter niet alleen koud en duur gaat worden, maar dat ook onherstelbare schade ontstaat voor de Duitse industrie. Het pandemische beleid mensen en bedrijven te betalen voor nietsdoen kan een tijdlang werken in de horeca en andere dienstverleningen, maar niet in de industrie. Die moet concurreren op de wereldmarkt. Voor de meeste bedrijfstakken geldt dat als ze nu wegens te hoge kosten en toeleveringsproblemen omvallen, ze niet meer terugkomen. De productie verhuist in dat geval naar andere landen.

De economische schok die de Duitse en de Europese economie heeft getroffen verdwijnt niet in de nacht en ook niet voor of tijdens de komende winter. Het is een andere schok dan die van de pandemie. Die bracht, hoe erg ze ook was, achteraf bekeken nauwelijks structurele veranderingen met zich mee, behalve het hybride werken en de brede aanvaarding van videocalls.

Hoge prijs

Als overheden de economische gevolgen van de energieprijsschok willen opvangen, moeten ze nog dieper in de zakken tasten dan tijdens de pandemie, en vooral langer. Prijsplafonds, steunmaatregelen of nationaliseringen hebben een hoge prijs. In sommige gevallen wellicht een te hoge prijs. Dat de steun niet grenzeloos kan zijn, laat het Verenigd Koninkrijk nu zien.

Het is in veel opzichten het einde van ‘whatever it takes’.

Bedrijven, burgers en beleidsmakers zien een heel nieuwe economische realiteit, waarin ‘onconventioneel’ begrotingsbeleid en monetair beleid niet meer alles kunnen regelen. Het is in veel opzichten het einde van ‘whatever it takes’. Overheden kunnen niet alle bedrijven en burgers redden, centrale banken kunnen noch de inflatie snel bestrijden, noch een vertrouwensverlies van de financiële markten in de eigen munt herstellen.

Wat beleidsmakers nu het best kunnen doen, is zich zo snel en zo sterk mogelijk richten op het managen van de broodnodige structurele transities: de energietransitie en de groene transitie. Dat moet met een versterking van de aanbodzijde van de economie, niet met steun voor de vraagzijde.

De gevolgen zijn groot. Een winterrecessie lijkt onvermijdelijk en het mogelijke economische herstel daarna zal niet zo sterk zijn als na de pandemie. Nee, er is geen enkele reden voor schadenfreude.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud