Genesis, de hoogmis van weleer

CEO van Studio 100

De symfonische rockgroep Genesis was in de jaren zeventig voor mij een ernstige kwestie.

©Dries Luyten

En bij uitbreiding voor de meesten in onze Latijn-Griekse jezuïetenklas. Genesismuziek was gedurfd en doordacht. Peter Gabriël zong donker romantische songs over mythen en sagen en raakte een snaar die geen pater raken kon. Naar Genesis luisteren riep een haast religieus gevoel op. Het was een hoogmis die ons in een andere, diepere dimensie bracht.

Thuis in mijn dorp op mijn slaapkamer was ik Steve Hackett, de gitarist van Genesis. Urenlang galmden mijn rauwe solo’s door mijn tot versterker verbouwde radio.

Genesis stamde uit de strenge Engelse Charterhouse kostschool. Geheel naar hun voorbeeld vormden we op het college onze eigen groep, Xantippe. In een vlaag van enthousiasme creëerden we een rockopera. Er bestaan nog tapes van. Het bewijs van hoe krakkemikkig het geklonken heeft. Want tapes liegen niet.

In de jaren zeventig graaiden we in platenbakken. Nu snuffel ik ’s avonds laat rond op Youtube. Zo herontdekte ik na jaren Genesis, want je vindt wonderlijke oude beelden. (www.youtube.com/ watch?v=W35wtfcByIY) En opnieuw begon ik begeesterd te kijken en te luisteren.

Vorige week was Steve Hackett te gast in de Ancienne Belgique in Brussel. Op zijn repertoire de oude Genesis-nummers, de hoogmis van weleer. Ik trommelde Frederik, Jurgen en Stefaan op, de oud Xantippe-leden. Buikig en grijs stonden ze me op te wachten aan de ingang van de zaal. Klaar voor een trip met een teletijdmachine, terug naar onze jeugd.

‘The Musical Box’, ‘The Knife’, ‘Watcher of the Skies’, Hackett speelde het allemaal. Het is wonderlijk hoe elk woord, elke noot nog onuitwisbaar op onze harde schijf gegrift stond.

En het bier vloeide rijkelijk. Zo raakte ik aan de praat met de man achter de toog. ‘Het is een toppubliekje vandaag’, zei hij. ‘Typisch voor deze muziek. Oudere mannen. Bankiers, advocaten en kabinetschefs. Ze drinken meer en de duurdere bieren.’ Dan keek hij ernstig. ‘Eén probleem. Hun buiken. Die nemen te veel plaats in. Als Stromae komt, is de zaal gevuld met jeugd. Dan kunnen er een paar honderd meer binnen.’

‘Zijn die artiesten het optreden nooit beu?’, vroeg ik. ‘Ze bezitten kastelen en kunstcollecties,’ zei hij, ‘maar ze willen sterven op het podium. Want ze zijn verslaafd aan het applaus. Ze zijn vooral elkaar beu. Ze arriveren in verschillende taxi’s, slapen in andere hotels. Ze kijken elkaar zelfs niet aan bij een concert.’

‘En het publiek dunt uit. Zo’n optreden krijgt geen aandacht. Er zijn geen kranten artikels, geen radioverslagen. Het is als de duivensport. Als de jeugd afhaakt, verdwijnt het.

Ken je ‘The Spirit of 66’ ? Dat is een klein zaaltje in Eupen. Daar eindigt het. Uriah Heep speelt daar. The Zombies. Waarschijnlijk ook Steve Hackett over een paar jaar.’

Plots bekroop me het akelige gevoel deel uit te maken van een uitstervend ras.

‘Er is ook nog blues en hardrock’, riep de man me na toen ik met het bier vertrok. ‘Motorhead en zo... Dat is een ander publiek. Die drinken nog meer.’ Hij lachte.

‘Zouden we geen reünie doen?’, vroeg Frederik op straat na het optreden, met het vuur van vroeger in de ogen. ‘Onze nummers waren keigoed.’

‘Ik heb al een nieuwe synthesizer gekocht’, zei Stefaan. Hij toonde de foto.

Ik schudde het hoofd. ‘Misschien moeten we volgende zomer naar Tomorrowland gaan,’ zei ik.

Jurgen lachte. ‘Je muzieksmaak is in je jeugd gevormd. Wat je ook probeert, die verandert niet meer.’

Ik sprak hem heftig tegen, maar ik wist dat hij overschot van gelijk had.

Hans Bourlon is CEO van Studio 100

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud