Herdenken en hervoelen

Onderzoeksjournaliste

Herdenken zet aan tot denken. Er is nood aan hervoelen. Een empathie die verder gaat dan de vraag: wat deed jij op 9/11?

9/11, zou ik er wel over schrijven? Net nu, twintig jaar later. Ik heb een broertje dood aan verjaardagsjournalistiek. Er valt altijd wel iets te memoreren in grootsheid, ernst of gruwel. In schoonheid ook. Iets of iemand is ooit de eerste, de slechtste, de beste. Kortom, uitzinnig boven- of ondermaats genoeg om een les uit te leren. Als een déjà vu dat kan vervellen tot een prévu. Je moet terugkijken om te kunnen voorzien en eventueel te voorkomen.

We blikken nu allen terug naar toen de Twin Towers instortten, wat leidde tot de inval in Afghanistan of het begin van Amerika’s langste oorlog. En hier gaan we: de langste, maar met een uiterst mager bilan. Wat valt er te leren, hoe (on)zinvol is herdenken?

Denken begint het best met feiten, en die zijn er. Data bij de vleet over het aantal gemobiliseerde strijdkrachten, het ingezette oorlogsmateriaal en de opgelopen dodentol onder militairen en burgers. Over hoe vrienden vijanden worden en wie nu juist wie bedot heeft. De info ligt er om herdacht te worden, als een niet te wissen herinnering of slechts als een uit het hoofd te leren weetje.

Tussen memoreren en memoriseren ligt een flinterdunne grens, al is het verschil groot. Het een doe je vooral met het hart, het ander met het hoofd. Het een laat zich niet meten, het ander geeft op z’n minst de illusie van meetbaarheid. We weten wat we niet weten: het aantal achtergelaten Afghanen die mogelijk nog in aanmerking kwamen voor evacuatie, de omvang van de opgeflakkerde vluchtelingenstroom of het aantal niet-begeleide minderjarige Afghanen die met de moed der wanhoop de oorlog achter zich laten. Hoe zullen we herdenken wat we niet weten?

Wat ik op 9/11 deed, doet er niet toe. Hoe moslims daarna werden gezien wel.

Herdenken zet aan tot denken. Er is nood aan hervoelen. Een empathie die verder gaat dan de vraag: wat deed jij op 9/11? Waar was je? Tijdens een interview met een Franstalige en een Noorse collega hoorde ik mezelf antwoorden dat ik aan het lunchen was, toen ik het nieuws hoorde. Zo banaal als wat.

Wat ik op 9/11 deed, doet er niet toe. Hoe moslims daarna werden gezien wel. 9/11 kan worden beschouwd als een keerpunt voor moslimmigranten. Vóór de aanslagen in de Verenigde Staten moesten ze zich integreren in de westerse samenleving. Na de aanslagen moesten die migranten, die bevreemdende labels als allochtoon kregen, gewis deradicaliseren.

Kort door de bocht: in de integratiesector maakten sociale werkers deel uit van therapeutische diensten. Voor deradicalisering kwamen militairen op straat. De slinger sloeg manisch om van doezelige theekransen naar het inrichten van deradicaliseringsvleugels in gevangenissen. Abrupt. En zo tegenpolig.

Tussen integratie en radicalisering was er een niemandsland. Als waren moslims wezens zonder identiteit, zonder noden en behoeften. In het niemandsland vond een deel van de moslimmigranten verbondenheid in extremisme. Daar waar ze iemand konden zijn. België heeft niet voor niets het hoogste aantal Syriëstrijders per capita van Europa.

Soit. Welk nut heeft gedenken als de daden op zich van geen nut waren? Bij het begin van dit schooljaar sluipen mondiale tentakels onze eigen kleine wereld binnen. In de klas van mijn dochter zitten drie Afghaanse kinderen. Een van hen is net uit het land van herkomst gekomen. Dag Mohammad. Half zo jong als de twintigste verjaardag van 9/11. Als de invasie in jouw land. Wat te zeggen? Dat we moeten herdenken, hervoelen terwijl jij volop aan het bekomen bent. De tijd staat niet stil, de toekomst is bezig en schuilt in warme kinderhanden die jou omringen, met de blik vooruit. Guitig voorwaarts. Wat is, was.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud