Het echte begrotingswerk moet nog beginnen

De tweewekelijkse grafiek van Bart Van Craeynest

Na een stukje slecht politiek toneel stelde de nieuwe Vlaamse regering begin vorige week haar begrotingstabellen voor. De headline daarvan is vrij saai: als de regering vijf jaar niks nieuws doet, komt ze volgens de raming in 2024 uit op een overschot van 314 miljoen euro. Met de voorgestelde beleidsplannen komt ze uit op een overschot van 75 miljoen. De regering gebruikt dus haar beperkte buffer, wat nog zal tegenvallen als straks de economische activiteit lager uitvalt dan de verwachtingen waarop de begroting gebaseerd is.

©Frank Toussaint

Achter het totale cijfer schuilen wel heel wat beleidsplannen. De regering plant voor 2,5 miljard nieuwe initiatieven en plaatst daar 2,3 miljard financiering via besparingen en belastingen tegenover.

Dat botste meteen op heel wat kritiek. Uit verschillende hoeken weerklonk protest over de geplande inspanningen en herhaaldelijk werden de plannen samengevat als een vestzak-broekzakoperatie.

Die kritiek gaat nogal vlot voorbij aan de essentie van begrotingsbeleid. Als je vertrekt van een evenwicht en je wil dat behouden, moet je voor nieuwe initiatieven op zoek naar financiering. Tenzij er geld uit de lucht valt natuurlijk.

©Mediafin

De inspanningen op Vlaams niveau vallen trouwens fantastisch goed mee in vergelijking met wat er straks federaal op tafel komt. Daar vertrekt de volgende regering niet van een minimaal overschot, maar van een tekort van naar raming 12 miljard euro tegen 2024. De nieuwe federale regering moet dus niet alleen financiering vinden voor nieuwe initiatieven, maar ook om dat gat te dichten.

Voor de vorige regeringen viel telkens nog geld uit de lucht onder de vorm van lagere rentelasten. Sinds het begin van de jaren 90 zijn die gezakt met 9 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat is 41 miljard in euro’s van vandaag. De rentelasten zullen nog verder zakken, maar het grootste deel van de rentebonus ligt achter ons.

De volgende regeringen zullen het dus meer met echte inspanningen moeten doen. In bepaalde hoeken wordt dan al snel gekeken naar hogere belastingontvangsten. Onder andere de regeringen-Dehaene, -Leterme en -Di Rupo kozen voor die piste. Maar we hebben nog altijd de derde hoogste belastingdruk onder de industrielanden. Zo liggen de belastingontvangsten nu al 5,8 procent van het bbp (27 miljard) hoger dan in Nederland en 7,1 procent (33 miljard) hoger dan in Duitsland.

De echte begrotingsinspanningen moeten nog gebeuren, en die zullen toch vooral moeten komen van het veel efficiënter omgaan met de huidige middelen.

Lees verder

Tijd Connect