Het vergoten bloed uit de kolonies wordt vergeten

Onderzoeksjournaliste

De beelden vanuit Ieper oogden voorspelbaar. Een rist vorsten, prinsen, ministers, generaals en andere vertegenwoordigers van het establishment verzamelden zich onder de Lakenhalle om een van de bloedigste en meest zinloze veldslagen uit de Eerste Wereldoorlog te herdenken.

‘I died in hell, they called it Passchendaele’, schreef de Britse oorlogsdichter Siegfried Sassoon over het slagveld waar een hele generatie jongens leven, verstand, onschuld en toekomst verloor. Acht woorden die de essentie vatten, die de uitgekiende toespraken hol doen klinken, en het beeld- en klankspel een pompeus randje geven.

Door één bepaalde veldslag uit vier jaar oorlog zo indrukwekkend te herdenken komen andere offers wat in de schaduw te staan.

Door één bepaalde - zij het erg bloedige - veldslag uit vier jaar oorlog zo indrukwekkend te herdenken komen andere offers bovendien wat in de schaduw te staan. Sterker nog: in Europa is over het algemeen weinig aandacht voor het vergoten bloed dat werd aangevoerd uit de kolonies.

Twee voorbeelden van zulke vergeten offers? In oktober 1914 wierp de Franse legerleiding 2.000 Senegalese tirailleurs in de strijd om een Duitse doorbraak in Diksmuide te verhinderen. Slechts 411 zouden de gevechten overleven. En op 22 april 1915 gebruikten de Duitsers bij Steenstrate voor het eerst gifgas in de strijd. De soldaten die de zwaarste klap te verduren kregen, waren de indigènes, inheemse soldaten, van de 45ste Algerijnse Divisie.

Toch is het in Vlaanderen ver zoeken naar een monument voor de meer dan 600.000 inheemse soldaten uit de Britse en Franse kolonies die vochten, leefden en stierven in dezelfde hel als hun blanke strijdmakkers. De honderden Algerijnse moslims die bij Steenstrate sneuvelden, worden herdacht met een 15 meter hoog aluminium kruis.

Hind Fraihi ©Dieter Telemans

De gelaagde geschiedenis zou meer zichtbaar moeten zijn in monumenten, beeldtaal en evenementen. Omdat een oorlog niet één verhaal of waarheid kent. Maar met het herdenken van offers uit het verleden alleen komen we er niet. Daarom was het een mooie geste geweest als alle vips hun zitje op de eretribune hadden afgestaan aan de oorlogsslachtoffers van nu. Aan de door bommen en terreur verdreven gezinnen uit Mosul, Aleppo en de Donbass. Aan de kinderen van Jemen, uitgehongerd door een coalitie aangevoerd door Saoedi-Arabië. Aan mensen op de vlucht voor de terreur van IS, Boko Haram, Al Shabaab of andere fundamentalisten.

Zij - en vele anderen - horen thuis op die eretribunes. Omdat hun lijden, hun honger en hun verdriet bewijzen dat een eeuw van bloemen, kransen en bevlogen speeches nog altijd geen vrede heeft gebracht.

Europa is altijd al sterk verstrengeld geweest met de wereld buiten zijn grenzen. In een permanente uitwisseling van ideeën, goederen en bloed. Het continent heeft ook de meeste winst gehaald uit die ‘transacties’. Winst die het, ondanks de sluimerende problemen, nog steeds bovenaan in de economische pikorde plaatst. Met een welvaart die ongekend is in de eeuwen voor ons.

In die verstrengeling ligt de toekomst. Europa is in oorlog niet door etnische scheidslijnen dooraderd geweest, laat dat ook in vrede zo zijn. Daarvoor moeten we de geschiedenis kunnen toeëigenen als ónze geschiedenis. Een oorlog van Algerijnen, Senegalezen en vele andere nationaliteiten in twee gigantische conflicten. Hun bloed werd vergoten voor waarden als democratie, gelijkheid en vrijheid. Als een collectieve erfenis moet die zichtbaarheid krijgen, niet om een tegenverhaal te vertellen maar als een aanvulling op de vele offers die niet mogen worden vergeten.

De leuze ‘nooit meer oorlog’ heeft bij de generatie van de Groote Oorlog tot teleurstelling geleid. Het is tijd voor een nieuwe strijdkreet: ‘Ontwapen de wereld, bewapen de geest.’ Met kennis, kritiek en tijd.

Hind Fraihi is freelance onderzoeksjournaliste

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud