Hind Fraihi

In Stockholm voeren enkele Europese landen deze week besprekingen over de mogelijkheid in Irak een tijdelijk tribunaal op te richten dat werkt volgens het internationaal recht. Voor dat tribunaal kunnen dan de Europese Syriëstrijders worden berecht voor hun misdaden begaan in Syrië en Irak terwijl ze dienden in de rangen van het zelfverklaarde kalifaat. De instelling zou in het MiddenOosten worden ondergebracht en worden geschoeid op de leest van de internationale gerechtshoven die werden opgericht na de genocide in Rwanda en de burgeroorlog die Joegoslavië uiteenrukte.

Dat heeft te maken met de gang van zaken in Irak. Het land en zijn inwoners hebben de afgelopen jaren vreselijk te lijden gehad onder de terreur van IS en zijn aanhangers. De grens tussen wraak en rechtspraak vervaagt dan ook in meer dan één geval. Human Rights Watch wijst op problemen met martelingen, bekentenissen onder dwang, gebrekkige rechtsbijstand voor beklaagden en veroordelingen zonder afdoende bewijslast. Processen duren amper een uur en eindigen veelal met de doodstraf. En dan mogen de Europese jihadi’s nog van geluk spreken. Voor IS-strijders van eigen bodem heeft de rechter over het algemeen maar tien minuten om te beslissen over leven en dood.

Bij hoe men in Irak omspringt met de voormalige strijders van het kalifaat zijn dus veel vraagtekens te plaatsen. Tegelijk heeft het land een onvervreemdbaar recht misdaden te bestraffen die begaan werden op zijn grondgebied en tegen zijn bevolking. Dat is, zo je wil, het risico dat Syrië-strijders zelf hebben genomen toen ze zich lieerden aan een organisatie die moordend, onderdrukkend en verkrachtend een territorium wilde afbakenen.

Een degelijke rechtspraak behelst ook een gedegen onderzoek. En daar wringt het schoentje.

Die Irakese dadendrang komt enkele Europese landen heel goed uit. Na de val van het zelfverklaarde kalifaat werden meer dan 4.000 buitenlandse strijders gevangen genomen. Een moreel dilemma, want hun thuislanden willen die tikkende tijdbommen liever niet meer terug. Daarvoor liggen de aanslagen van Nice, Parijs, Brussel en Stockholm nog te vers in het geheugen.

Bij een groot deel van de Europese bevolking en de politiek is dan ook geen draagvlak om de Syriëstrijders naar hier te halen en eventueel hier te berechten. Staten moeten hun beleid uiteraard niet louter laten bepalen door sentimenten bij hun bevolking. Maar ook op rationeel vlak schuilen adders onder het gras die een berechting in Europa of voor een internationaal tribunaal bemoeilijken.

Een degelijke rechtspraak behelst ook een gedegen onderzoek. En daar wringt het schoentje. Zolang de Syrische burgeroorlog niet is beëindigd kan weinig sprake zijn van het verzamelen van bewijsmateriaal en getuigenissen. Niets zou erger zijn voor de al wankele publieke opinie in Europa dan Syriëstrijders die de dans ontspringen of lichte straffen oplopen bij gebrek aan bewijzen.

Niets erger voor de al wankele publieke opinie in Europa dan Syriëstrijders die de dans ontspringen of lichte straffen oplopen bij gebrek aan bewijzen

Dat is niet ondenkbeeldig. In de meeste Europese landen staat op het lidmaatschap van een terroristische organisatie maximaal enkele jaren gevangenisstraf. Onlangs kwam in Duitsland een teruggekeerde Duitse IS-strijder weg met drie jaar gevangenisstraf. Pas na zijn proces dook een video op waaruit bleek dat hij betrokken was bij de executie van gevangenen in Palmyra.

Maar Europa kan zich niet louter verschuilen achter de soevereiniteit van Irak. Het heeft ook een verantwoordelijkheid voor de problemen met zijn Syriëstrijders van eigen kweek. Een internationaal tribunaal gaan inplanten is niet de aangewezen weg. Wel kunnen Europese landen een verregaande samenwerking op poten zetten met de Iraakse overheid. Frankrijk levert al onderdanen uit aan Irak om daar te worden berecht.

Tegelijk moet het, als voorvechters van mensenrechten, proberen de scherpste kantjes af te vijlen van de repressie en de wraak die rondwaren in de Irakese rechtbanken. Een vorm van rechtsbijstand, zoals bepaald in de wet op de consulaire bijstand, voor de aangeklaagde Syriëstrijders is toch wel het minimum.

Lees verder

Tijd Connect