Het steekspel over de kinderen van de Belgische Syriëstrijders is nog lang niet voorbij. Juridisch zijn de middelen nog niet uitgeput. Moreel evenmin. Op 7 december 2017 schreef ik al over dit onderwerp: ‘De hoop moet ons uitgangspunt zijn. Dan kunnen we geloven dat (voormalige) jihadi’s en hun vrouwen hun kinderen niet opvoeden met als enige doel zichzelf zo snel mogelijk op te blazen op een kerstmarkt, concert of voetbalwedstrijd. Dat ook zij een betere wereld voor ogen hebben voor hun kinderen. Al ziet hun paradijs er anders uit dan het onze.’

Maar het plaatje is groter dan die kinderen en hun moeders in handen van de Koerdische troepen. Volgens Paul Van Tigchelt, de topman van het antiterreurorgaan OCAD, verbleven begin 2018 meer dan 140 kinderen van Belgische origine op het grondgebied van Islamitische Staat. De meesten van hen zijn jonger dan zes jaar en geboren in Syrië of Irak. Van ongeveer 30 kinderen is geweten dat ze zijn teruggekeerd naar België, een vijftiental zit in vluchtelingenkampen. Het lot van de anderen is onbekend. Zijn ze omgekomen? Zitten ze in een weeshuis of gevangenenkamp? Of zijn ze op de vlucht? Niemand weet het.

Believers

Het kalifaat zit al enige tijd in de hoek waar de klappen vallen. Deze week nog claimde het Syrische regeringsleger dat het Islamitische Staat (IS) verdreven heeft uit zijn laatste bolwerk in het zuidoosten van het land. Toch stellen Europese veiligheidsdiensten geen verhoogde instroom vast van strijders die vrijwillig terugkeren. Hoe slecht het ook gaat met het kalifaat, de harde kern van believers verliest zijn hoop niet. Tot het bittere eind zullen ze blijven geloven in hun zaak. In de belofte van de overwinning of in het paradijs. Misschien wel in beide.

Het kalifaat heeft nog veel kapitaalkrachtige vrienden. Dan kan het niet moeilijk zijn te vluchten naar Bamako of Jalalabad.

Het geloof mag dan wel ongeschonden zijn, het verstand zegt dat er in Syrië en wellicht ook Irak weldra geen ruimte meer is voor aanhangers van het kalifaat. Maar de langverwachte en fel bejubelde val van Abu Bakr al-Baghdadi zal geenszins het einde inluiden van zijn grimmig regime. De middenkaders, die vaak hooggespecialiseerd zijn en toch weinig in de kijker lopen, zijn al gevlucht of zullen beginnen te denken aan ontsnappen.

De manier waarop ze kunnen ontkomen uit de zich sluitende fuik in Irak en Syrië is al eens eerder vertoond. In de tweede helft van de jaren 40 ontsnapten duizenden nazi’s en collaborateurs vanuit de puinhopen van Europa naar landen die geen vragen stelden over het schimmige verleden van die - vaak erg gewilde - nieuwkomers. Voor sommigen, zoals de raketgeleerde en NASA-directeur Wernher von Braun, kon dat zelfs in alle openheid.

Rattenlijnen

Anderen, met een minder interessant cv, moesten gebruikmaken van de zogenaamde rattenlijnen. Een geheim reisbureau, gesteund door elementen binnen het Vaticaan en westerse geheime diensten, versaste duizenden middenkaders van het naziregime naar andere oorden. Ze kwamen terecht in Zuid-Amerika - Argentinië was de topbestemming - waar ze de machtshonger en megalomanie van figuren als Juan Perón levend hielden. Of ze verkasten naar het Midden-Oosten, waar ze hun diensten aanboden aan de vijanden van het prille Israël.

Het nomadisch jihadisme wordt waarschijnlijk een van de nieuwe fenomenen van de komende jaren

Het kalifaat heeft in de Arabische wereld nog veel vrienden en sympathisanten. Vaak zijn die ook nog eens puissant rijk. Nazi’s slaagden er in 1947 in om van Berlijn naar Buenos Aires te vluchten. Hoe moeilijk kan het dan zijn voor IS-strijders om neer te strijken in Bamako, Abuja, Marawi, Ürümqi of Jalalabad?

Het nomadisch jihadisme wordt waarschijnlijk een van de nieuwe fenomenen van de komende jaren. Groepen gewapende strijders die in los-vast verband, vaak met vrouwen en kinderen, bijna ongehinderd rondtrekken door een regio waar het centrale gezag toch al zwaar onder druk staat. Op zoek naar een nieuwe fata morgana, een nieuwe brandhaard.

Lees verder

Tijd Connect