Meester Sanders

©Dieter Telemans

Achtenveertig jaar, één maand en dertien dagen geleden bespeurde mijn pa enige actie aan de achterdeur. ‘Toch niet weer Zorro’, verzuchtte hij, doelend op de legendarische Zerkegemse pastoor die weigerde het pastorhabijt af te leggen. Het bleek gelukkig meester Sanders, de beste onderwijzer die Vlaanderen ooit heeft gekend. Niemand in Zerkegem was liever gezien dan die statige man met zijn warme bariton, die net zoals zijn beminde koning diepgelovig was en vervloekt met kinderloosheid.

Meester Sanders gaf les én levensles. Je leerde bij hem van alles aan en van alles af. Bij mij was dat nagelbijten. Als je proeven af waren, mocht je lezen in de boekjes van de klasbibliotheek. Ik was er gek op. Dus haspelde ik mijn proeven af, pakte mijn boekje en ging aan het nagelbijten. Toen ik weer eens met overgave aan het lezen was, toonde de meester me een afbeelding van de Venus van Milo. ‘Kijk, Frankie, dit is het gevolg als je jezelf opeet. Het begint met je nagels.’

Meester Sanders kwam mijn ouders vragen wat Frankietje volgend jaar zou doen. ‘Je gaat hem toch verder laten studeren?’, vroeg hij, vreemd genoeg hetzelfde wat Zorro had gevraagd. Maar bij meester Sanders klonk het niet half zo dwingend als bij Zorro, die - het moet de warmte geweest zijn - bij Frankietje een roeping had opgemerkt. ‘Zeker,’ antwoordde mijn pa, ‘hij mag naar de vakschool.’ ‘Firmin,’ zei meester Sanders, zoals alle briljante leraren een geboren psycholoog, ‘het is bijzonder jammer dat jij die kans nooit hebt gehad, want je bent een slimme vent. Maar je Frankietje is wreed slim. Je moet hem naar het middelbaar laten gaan.’

Mijn pa reageerde alsof hem een elektrische schok was toegediend. ‘Maar meester, alleen kinderen van boeren sturen hun kinderen naar het middelbaar. Ik ben maar een werkmens. Wat gaan ze wel van ons zeggen?’ ‘Als je ooit van iemand hoort dat het een schande is dat je je kind laat studeren, kom het mij maar zeggen. Dan praat ik wel eens met hem.’

En zo kwam het dat ik een paar dagen later, in mijn zondagskostuum met korte broek, in de Opel Record van meester Sanders op weg was naar de Frères. Waar de directeur stelde dat kinderen van den buiten beter het voorbereidende jaar, het zevende, volgen. Dan kon ik me beter inwerken in de sfeer van een grote stadsschool. IJzig vroeg meester Sanders welke plaats de beste Frères-leerling had gehaald in het Kantonaal Examen. ‘De vierde’, zei de directeur trots. ‘En moet hij het zevende doen?’, vroeg meester Sanders. ‘Natuurlijk niet!’, riep de directeur. ‘Wel, Frank was de beste,’ zei een duidelijk gekrenkte meester Sanders, ‘dus we zullen hem maar in dezelfde klas zetten als jullie beste zeker?’

Tijdens de terugreis liet meester Sanders me beloven dat ik hem elk jaar mijn rapport zou komen voorleggen. Als ik het op school wat moeilijker kreeg, deed ik beter mijn best omdat ik mijn papa en mama niet wilde ontgoochelen, maar vooral omdat ik de meester niet zou teleurstellen. Het rapport van mijn poésis (het vijfde jaar) heeft hij nooit gezien. Weer op een warme dag daalde voor het eerst een helicopter neer in Zerkegem. De medische equipe kon meester Sanders niet meer redden. Zijn warme hart had het begeven.

Meester Sanders was, waarschijnlijk zonder het zelf te meten, een overtuigde meritocraat. Hij zou een virulent tegenstander zijn van het optrekken van het universitair inschrijvingsgeld. Voor de Vlaamse Frankietjes mocht er geen enkele barrière zijn om verder te studeren. Als een gemeenschap de kansen van zijn kinderen begint op te eten, eindigt hij als Venus van Milo.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud