Advertentie

Nationalisme en economie

©Knack

In zijn jongste boek ‘De welvaart & trots van naties’ toont historicus Olivier Boehme hoe Vlaams-nationalisten en euro-enthousiasten gelijkaardige argumenten aanwenden om hun politieke slag thuis te halen. Economisch nationalisme vertoont tal van gedaanten.

Door Rik Van Cauwelaert, publicist.

Als iemand in Vlaanderen het economisch nationalisme vorm gaf, dan was het wel Gaston Eyskens. In de epiloog bij zijn memoires schreef de gewezen premier: ‘Ik ben er bijzonder trots op dat ik de economische opgang van Vlaanderen en van het Vlaamse volk mee heb kunnen realiseren. Daarmee is een van mijn jeugddromen in vervulling gegaan.’

Van die passage is geen woord overdreven. Want midden de jaren 1960 steeg de economische groei in Vlaanderen boven het Belgische gemiddelde, en dat voor het eerst sinds het ontstaan van België in 1830. Die economische groei in Vlaanderen volgde uit Eyskens’ expansiewetten en de daaraan verbonden subsidies. Wallonië maakte veel minder gebruik van de expansiewetten en bleef inzetten op de subsidiëring van de noodlijdende sectoren.

Historicus Olivier Boehme heeft de sociaaleconomische agenda van de Vlaamse beweging, waar Gaston Eyskens in de jaren 1930 al een van de spilfiguren van was, uitvoerig beschreven in ‘Greep naar de markt’. Dat boek werd door zijn collega Herman Van Goethem terecht bestempeld als een mijlpaal in de geschiedenis van de Vlaamse beweging.

In 1999 trok Boehme al een eerste keer de aandacht met zijn opmerkelijk werk ‘Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum’. Even waagde de historicus zich op het politieke pad. Samen met Dirk Verhofstadt richtte hij de denktank Liberales op. Maar zijn onderzoek naar de economische geschiedenis van het land kreeg uiteindelijk de voorrang. Zo werkte hij mee, samen met onder meer Walter Pluym, aan de vierdelige geschiedenis van De Nationale Bank van België, 1939-1971, vooraleer in 2008 ‘Greep naar de markt’ te publiceren.

Vlaamse beweging

Taal en cultuur koppelen aan economie, het is niet vanzelfsprekend. Toch maakte de Vlaamse beweging die koppeling, met een ontzettende impact op de Belgische politiek tot gevolg.

In zijn jongste boek ‘De welvaart & trots van naties, een geschiedenis van het economisch nationalisme’, toont Boehme aan dat verdedigers van het Europese project vaak argumenten aanwenden die ook door een Vlaams-nationalist als Bart De Wever worden gebruikt. Want economisch nationalisme heeft vele gedaanten.

Economische nationalisten trachten voortdurend de economie voor hun kar te spannen. Dat type, door Boehme ‘integrale nationalisten’ genoemd, creëert een eigen economische agenda. Dat economisch nationalisme hoeft dus niet alleen verschillende landen te scheiden. Het kan op den duur evengoed, zoals in België, Tsjecho-Slowakije of Spanje, een land verdelen. Dat economisch nationalisme kan rechts en liberaal zijn, zoals in Vlaanderen, maar kan net zo goed een linkse onderstroom hebben, zoals in Schotland.

Zoals economisch nationalisme eveneens kan leiden tot een continentaal protectionisme, zoals ooit bepleit door de Franse president Nicolas Sarkozy. Al viel dat continentaal protectionisme in Sarkozy’s discours opvallend samen met de Franse belangen.

Eurocratie

In zijn ‘Tweede Burgermanifest’, verschenen in juni 1992, had Guy Verhofstadt het over de schuldverdeling, de transfers van Noord naar Zuid, eigen fiscaliteit voor Vlaanderen en de nood aan transparante solidariteit met Wallonië. En hij pakte dat in met: ‘Die heropstanding van de vele volksgemeenschappen op ons oude Europese continent, dat herboren nationalisme is ditmaal geen duistere of irrationele kracht. Wanneer ze gekoppeld wordt aan de beginselen van de liberale democratie en meer bepaald aan de grondwettelijke vergrendeling van de elementaire rechten en vrijheden van het individu, levert ze integendeel een bevrijdende energie. Aan de hand daarvan kunnen we ook weerstand bieden tegen de zich snel uitzaaiende Eurocratie.’

Voor wie dit vandaag leest, is die laatste zin, over de weerstand tegen de zich snel uitzaaiende Eurocratie, nogal verrassend, zeker na de latere carrièrewending van Verhofstadt.

Maar de passage toont aan dat alle partijen zich, als het hen electoraal uitkomt, van het economisch nationalisme bedienen. Yves Leterme deed met CD&V niets anders, en met succes, voor de verkiezingen van 2004 en 2007. Leterme versterkte zijn boodschap nog door een alliantie aan te gaan met de N-VA van Bart De Wever.

En zelfs de Parti Socialiste hanteert het economisch nationalisme, door achter de Waalse beweging te gaan staan en de oude Wallingantische teksten van Jules Destrée op te diepen, weliswaar alleen nadat de partij in de oppositie was verzeild.

Neoliberale draai

In het hoofdstuk ‘Economisch nationalisme in het hart van Europa’ richt Boehme zijn aandacht op de recente ontwikkelingen in België en de manier waarop Bart De Wever en de N-VA het Vlaamse nationalisme, zoals radioman Jean-Pierre Rondas al vroeg opmerkte, een neoliberale draai meegaven.

Daarover ondervraagd op Klara gaf De Wever dat ook toe. Het citaat uit een radiogesprek van 2007 met Rondas, dat Boehme in zijn boek woordelijk meegeeft, vat de aanpak van De Wever precies samen: ‘Omdat ik weet dat ik een minderheidsbeweging ben en dat ik dus mijn boodschap moet brengen op een manier dat ik die meerderheid kan verleiden en/of charmeren of kan zeggen: het is gewoon juist, wat ik vertel. Ik weet dat als ik dat ga doen met dossiers als Brussel-Halle-Vilvoorde, die ik persoonlijk erg belangrijk vind, dat ik niet buiten mijn eigen niche zal geraken. Ik word daar ook niet ondersteund door de media. Als ik Spolaore naar Vlaanderen haal om te spreken, dan doe ik dat volgens een doelbewuste agenda, waarbij ik die opinie op een andere manier wil gaan benaderen, volgens dingen die misschien wel voor hen belangrijk zijn.’

De boodschap van de Harvard-prof Enrico Spolaore, die in zijn boek ‘The size of nations’ betoogde dat de efficiëntie van een staat afhangt van de ideale verhouding tussen schaalgrootte en heterogeniteit, heeft N-VA heel bijdehand in haar communicatie verwerkt. De partij zegt er snel bij dat het autonome, homogene Vlaanderen dat zij nastreeft, bepaalde bevoegdheden graag aan Europa overlaat, omwille van de schaalvoordelen.

Extra kiezers

Belangrijk in het radiogesprek dat Boehme aanstipt, is echter dat De Wever die economische theorieën slechts gebruikt omdat ze belangrijk zijn voor de extra kiezers die hij met zijn stellingen over Brussel-Halle-Vilvoorde alleen niet kan overtuigen.

Het economisch continentalisme van de Europese Unie is niets anders dan economisch nationalisme, zegt Boehme, maar dan op reuzenschaal. Weliswaar niet het soort economisch nationalisme met een harde nationalistische kern en met een louter instrumentele rol voor de economie. Het EU-type is veeleer opgevat als een verband van naties, met daarin dominante lobby’s die gezamenlijk hun politieke macht en discours inzetten voor de vrijwaring van hun productie en handel, onder het mom van Europese blokvorming.

Of dat Europese project de verstoringen van zijn fragiele financieel-economische mechanismen overleeft, is onzeker. Zo brandde het transferdebat in de Europese Unie alvast sneller los dan in België.

De Europese elite denkt dan ook niet langer in politieke termen en waarden, maar laat economische groei voorgaan op burgerschap. Europa lijkt aan elkaar gesmeed met begrotings- en andere pacten. Maar de Europese burgers krijgen stilaan in de gaten dat zij weinig of niets terugkrijgen voor de offers die ze brengen om uiteindelijk een financieel systeem en banken overeind te houden.

Als die burger zich bovendien verloren voelt, zoals Boehme schrijft, in een ongrijpbaarder wordende wereldeconomie met haar soms beangstigende effecten en stresserende eisen, dan staat het nationalisme altijd klaar om troost te bieden met symbolen die diepliggende collectieve emoties niet onberoerd laten.

Olivier Boehme - De welvaart & trots van naties. Een geschiedenis van het economisch nationalisme - Antwerpen, De Bezige Bij, 19,95 euro.

 

Advertentie
Gesponsorde inhoud