Nog lang en gelukkig?

Een van de drieste besluiten die Griekenland onder grote druk van zijn Europese partners nam, was het optrekken van de pensioenleeftijd. Van het uiterst lage gemiddelde van 53 jaar naar 67 jaar.

Het is waar dat de Grieken het de voorbije jaren erg bont hebben gemaakt, onder meer omdat ze knoeiden met de statistieken. Toch vergeten we al te graag dat België nog maar een twintigtal jaar geleden met gelijkaardige tekorten kampte en dat ook onze overheidsschuld meer dan 100 procent van het bbp bedroeg.

Maar terwijl de Grieken zich voornemen om beduidend langer te gaan werken, gaat België nog altijd gemiddeld op 57 jaar met pensioen. Ondanks alle retoriek die zegt dat ook wij met z’n allen langer moeten werken, is er een Vlaamse eminentie die stelt dat haar partij niet toetreedt tot een regering die zou overwegen de officiële pensioenleeftijd op te trekken. Dat bij Opel en Godiva beslist is brugpensioenen op 50 en 52 jaar toe te staan, gebeurt met de zegen van overheden en partijen.

Schijnheiligheid is troef in dit hele debat. Overheid en werkgevers roepen eensgezind dat de feitelijke pensioenleeftijd omhoog moet, maar als in een bedrijf moet worden geherstructureerd, vinden dezelfde werkgevers en werknemers zich meteen rond formules van vervroegde loopbaanbeëindiging. En iedereen weet dat ook dat niet helemaal klopt: veel bruggepensioneerden zijn immers helemaal niet aan het einde van hun loopbaan, maar klussen vrolijk bij. De leeftijd waarop men écht stopt met werken is in de praktijk dus al heel wat hoger dan de officiële pensioenleeftijd.

Wat er ook van zij, menige overheid in het verouderende Europa kreunt onder de pensioenlasten.

Hetzelfde geldt overigens voor veel bedrijven, die in de tweede helft van de vorige eeuw in de jacht naar talent hun personeel extra-wettelijke pensioenen aanboden in de vorm van ‘defined benefit’-systemen. Deze worden nu een steeds groter blok aan hun been, vooral in de grote industriële groepen in Europa, waarvan personeelsbestand door de desindustrialisering de afgelopen decennia sterk is afgenomen. Het aantal gepensioneerden aan wie ze maandelijks een extra pensioen betalen, overtreft in veel gevallen het aantal overblijvende personeelsleden. Ex-werknemers die het bedrijf soms al meer dan dertig jaar hebben verlaten, doen nog een beroep op de toegevoegde waarde die vandaag door deze bedrijven gegenereerd wordt.

In België mogen we ons gelukkig prijzen dat veruit de meeste werknemers kiezen voor het aanvullend pensioen in de vorm van een uitgekeerd kapitaal bij pensionering, en niet voor een maandelijkse rente tot hun overlijden, zoals in de meeste landen.

Om het cru te stellen: een Belgische werkgever kan zijn personeel zonder enige aarzeling nog een lange en gelukkige pensionering toewensen; in andere landen wenst de werkgever de gepensioneerde veel geluk, maar heeft hij er belang bij dat zijn ex-werknemer niet te lang meer leeft.

De plannen om de internationale boekhoudregels op het vlak van de aanvullende pensioenen te verstrengen, zullen de pensioenzorgen van de bedrijven nog verder verzwaren.

Tot nu toe konden financieringstekorten in de pensioenstelsels (voor zover die het gevolg zijn van veranderingen in financiële parameters) worden uitgespreid over een lange periode. Als na een slecht beursjaar het financieringstekort opliep, moest dat niet onmiddellijk in de boekhouding als verlies worden opgenomen, maar kon het over de volgende twintig jaar worden uitgesmeerd. Of als de huidige waarde van de pensioenbeloftes toeneemt omdat de discontovoet daalde, mag het resulterende financieringstekort eveneens worden uitgesmeerd.

De afgelopen twee jaar, toen zowel de beurzen als de rentetarieven een duik maakten, heeft dat veel bedrijven soelaas gegeven. Maar binnenkort vervalt die regel en moeten alle tekorten onmiddellijk worden opgenomen in de resultaten. Een kopzorg erbij voor veel bedrijven.

Anne VLEMINCKX is financieel experte.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud