Als federale politici over de herfederalisering van bevoegdheden beginnen, is dat allereerst een bekentenis van onmacht. Vaak is het ook een eerste voorteken van een nieuwe staatshervorming.

In het jongste nummer van WT (Wetenschappelijke Tijdingen), het driemaandelijkse tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, besluit Bruno De Wever zijn voorwoord als volgt: ‘Het is te verleidelijk om niet te speculeren hoe België politiek en staatkundig zou zijn geëvolueerd zonder een tweede Duitse bezetting. Zou het regionaliseringsproces vroeger zijn gestart en zou de dynamiek en (voorlopige) uitkomst anders zijn geweest?’

©rv

De Gentse historicus maakt die bedenking bij de afsluiting van de artikelenreeks ‘Amis Ennemis’ van zijn collega Harry Van Velthoven over de communautaire spanningen in de vooroorlogse BWP. In de unitaire socialistische partij accepteerde een nieuwe generatie zelfbewuste Vlaamse socialisten niet langer de paternalistische taaldiscriminatie door de Franstalige kameraden. Van 1937 af hielden Vlaamse en Waalse socialisten zelfs aparte congressen. In een hoogoplopende communautaire kwestie als de benoeming in 1939 van de arts en gewezen activist Adriaan Martens tot lid van de Vlaamse Academie stemden Vlaamse en Waalse socialisten verdeeld. Wat de Luikse socialist Joseph Merlot deed besluiten: ‘Onze partij is ziek.’

De oorlog maakte een einde aan die communautaire verdeeldheid onder de socialisten. Voorlopig, want de oude wrevels kwamen snel weer bovendrijven. Met de grote winterstaking van 1960-’61 gaf de Luikse socialistische vakbondsleider André Renard de belangrijkste stoot aan de federalisering van het land. Federalisme - tot dan een vies woord in de Wetstraat - was nodig om de Waalse minderheid vanonder de knoet van het Vlaamse numerieke overwicht te halen en zo een einde te stellen aan het democratisch deficit dat België kenmerkte, volgens Renard.

Het trekken van de taalgrens, de eerste staatshervorming van Gaston Eyskens, maakte van België een mobiele constitutionele werf. De opeenvolgende grondwetsherzieningen waren allerminst het resultaat van een doordacht staatkundig project. In alle gevallen dienden die staatshervormingen niet om het dagelijkse welzijn van de Belgische samenleving en de rechten en plichten van de burgers grondwettelijk bij te sturen, maar om communautaire conflicten op te lossen. Een treffend voorbeeld was de regionalisering van de wapenhandel, die er in eerste instantie op gericht was het Waalse FN toe te laten ongehinderd door Vlaamse bemoeienis zijn tuigen te slijten aan prille democratieën in verre buitenlanden.

In Parliamentary Affairs vatte de Engelse academicus Michael O’Neill van de Nottingham Trent University de Belgische staatshervorming ooit samen als ‘een moeizaam onderhandeld compromis onder politici, die zich in dat avontuur storten omdat mislukken nog erger is’. En O’Neill schreef dat nog voor de totstandkoming van de ingewikkelde zesde staatshervorming, waarvan de uitvoering vandaag federale ministers migraine bezorgt.

Vicepremier Alexander De Croo (Open VLD) was de eerste die openlijk begon over de herfederalisering van bevoegdheden, en dat omwille van de efficiëntie. En volgens hem zijn er wel meer federale collega’s die er zo over denken. Zijn Franstalige liberale collega’s Sophie Wilmès van Begroting en François Bellot van Mobiliteit traden hem prompt bij. Volgens de politicoloog Dave Sinardet zijn er ook langs Vlaamse kant meer dan gedacht voorstanders van een constitutionele terugschroeving, die alleen voor de N-VA en Vlaams Belang een taboe blijft.

Het is niet nieuw dat na staatshervormingen de efficiëntie door sommigen in twijfel wordt getrokken, waarbij telkens opnieuw een herfederalisering als oplossing wordt aangereikt. Ook nu weer wordt dat oude zakgoed aangedragen. In het verleden werd daar dan de vraag naar een paritaire senaat aan gekoppeld. Vandaag wordt gezwaaid met de invoering van de federale kieskring als wondermiddel om Vlaming en Waal nader tot elkaar te brengen.

Pappen en nathouden

Als federale politici over de herfederalisering van bevoegdheden beginnen, is dat allereerst een bekentenis van onmacht. En vaak is het ook een eerste voorteken van een nieuwe staatshervorming. Bij elke beleidsmislukking of bij ondermaatse resultaten wordt de oude excusesriedel opgedreund: de complexe staatsstructuur, de versnippering van bevoegdheden, de gebrekkige samenwerking tussen de verschillende regeringen die ons land rijk is. Hoe men deze manco’s denkt te kunnen herstellen door buitenlandse handel, energie en milieu te herfederaliseren, blijft een raadsel. Ruim 80 procent van de Belgische buitenlandse handel is Vlaams. Gewoon omdat die in hoge mate wordt aangedreven door de Vlaamse havens, belangrijke doorvoerhavens van en naar de rest van Europa.

De grootte van wat moet worden gedacht en ondernomen overstijgt het talent dat bij de Belgische partijen aanwezig is.

Mocht het federale niveau, dat in 2003 al onder paars de nucleaire uitstap afkondigde, een succesrijkere energie- en milieupolitiek hebben kunnen voeren zonder de constitutionele verkaveling, dan hadden we dat intussen wel geweten. Het is heel eenvoudig: er is geen energiepolitiek. Meer dan pappen en nathouden om de belangen van enkele grote spelers in stand te houden hebben de opeenvolgende federale regeringen sindsdien niet gedaan. De vigerende energieprijzen, die zwaar wegen op de economie, zijn het beste bewijs.

Naast de alarmerende afscheidsinterviews van Ri De Ridder, de ex-topman van de Rijksdienst voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, krijgt de oproep tot herfederalisering van buitenlandse handel en milieu iets ridicuuls. Volgens De Ridder komt zelfs het humanitaire aspect van de gezondheidszorg in het gedrang. Hij is niet de eerste die dat zegt. Alleen heeft het federale beleid daar de afgelopen jaren weinig aan gedaan. Men slaagt er na al die jaren zelfs niet in te achterhalen waarom Brusselse en sommige Waalse ziekenhuizen zoveel duurder zijn dan Vlaamse. Of men wil het niet te weten.

De federale staat werd de voorbije decennia niet alleen ontmanteld door de opeenvolgende staatshervormingen, maar meer nog door de privatisering, door de liberalisering en door de transnationale organisaties als de Europese Unie.

Herinner u de zin: ‘De markt is een nooit geëvenaard democratisch mechanisme waarin eenvoudige of zelfs plechtige regels over de waardigheid van alle mensen volstaan om tot een directe, doeltreffende sociale politiek te komen.’ Het is een zin uit het eerste Burgermanifest van Guy Verhofstadt, die beweerde dat ‘op de markt geen plaats is voor macht, alleen voor dagelijkse verkiezingen’. Kortom: minder staat. Wel, daar staan we dan. Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) ondervindt dagelijks dat democratische gehalte van de markt in haar geheime onderhandelingen met de farma-industrie. Dit jaar alleen werd haar budget voor geneesmiddelen al met 300 miljoen euro overschreden. Zelfs Europa kan haar niet helpen in de onderhandelingen met de machtige farmabedrijven.

Het probleem waarmee het federale beleid worstelt, raakt niet opgelost door gauw wat bevoegdheden weer naar het federale niveau te tillen. Het land zit al vast in een confederale groef. Het grote probleem is dat van een onmachtig geworden politiek. De grootte van wat moet worden gedacht en ondernomen, overstijgt het talent dat bij de Belgische partijen aanwezig is, zowel bij de meerderheid als bij de oppositie. Het is een vaststelling waar niemand graag over begint. Maar de kiezer heeft dat al langer in de gaten.

Correctie: Albert Yuma Mulimbi is niet de voorzitter, zoals hier vorige week stond, maar lid van de raad van bestuur van Texaf.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content