Pensioen naar werk?

Slechts 28 jaren werken de Belgen gemiddeld in heel hun carrière. Het cijfer schoot mij te binnen toen ik de voorbije dagen de commotie rond allerlei nieuwe pensioenplannen aanhoorde. Dat we effectief zo weinig jaren werken, stelt die plannen in een totaal ander daglicht.

Door Caroline Ven, gedelegeerd bestuurder van het Ondernemersplatform VKW

Het idee van het ABVV om het fiscaal voordeel voor het pensioensparen af te schaffen en dat geld te gebruiken voor een versterking van het wettelijk pensioen gaat straal voorbij aan de wortel van het probleem. En die is dat er te weinig wordt gewerkt.

In dat opzicht verdient het sp.a-voorstel meer krediet. De Vlaamse socialisten willen afstappen van de pensioenleeftijd en de pensioenrechten voortaan berekenen op basis van het aantal loopbaanjaren. Dit is een oud idee van het VKW dat nog aandacht verdient. De hamvraag is echter wat men verstaat onder een ‘loopbaanjaar’.

Immers, vandaag wordt een groot deel van de loopbaanjaren die recht geven op een pensioen opgebouwd door allerlei gelijkstellingen. Dat zijn periodes waarin mensen niet werken, zoals ziekte en invaliditeit, werkloosheid of brugpensioen. Maar ze tellen wel mee bij de berekening van het aantal loopbaanjaren.

De gevolgen van deze manier van tellen voor de opbouw van pensioenrechten zijn niet min. Onze bevolking op actieve leeftijd, dat is iedereen van 20 tot 64 jaar, werkt eigenlijk gemiddeld slechts 28 jaren. Van de overblijvende 16 jaren gaan 7 jaren naar inactiviteit (studeren, deeltijdarbeid, bewust niet werken,…) en 9 jaren naar allerlei gelijkstellingen. Dat wil zeggen dat we tijdens een groot deel van onze actieve jaren niet rechtstreeks bijdragen tot de inkomsten van de staat.

Er is niets mis mee dat mensen bewust kiezen voor een carrière als huisman of -vrouw. Ik kan ook begrijpen dat mensen de moed verliezen na een periode van langdurige werkloosheid. Ook kan niet iedereen bijdragen wegens ziekte of invaliditeit. Mensen in zulke situaties verdienen allemaal een sociaal vangnet.

Maar in ons land is de slinger te ver doorgeschoten. In Denemarken en Nederland draagt de bevolking op actieve leeftijd gemiddeld 5 jaren meer bij dan bij ons. Omdat men daardoor ook 5 jaren minder lang ten laste is van de sociale zekerheid loopt de bonus voor de publieke financiën op tot 10 jaren. Een groot verschil in de eindafrekening binnen en tussen generaties.

Technisch gezien zou men kunnen stellen dat de Belgen vandaag net genoeg jaren werken om alle maatschappelijke kosten te dragen voor de leeftijdsgroep van 15 tot 75 jaar. Er zijn met andere woorden geen of onvoldoende middelen om het onderwijs van de min 15-jarigen en de ouderenzorg en de pensioenen van de 75-plussers te betalen.

In realiteit worden de financiële tekorten uitgesmeerd over de hele bevolking. Het gevolg is bijvoorbeeld een gebrek aan investeringen in de infrastructuur, een euvel waaronder we reeds enkele decennia gebukt gaan. Denken we maar aan onze schoolgebouwen, de wegen en de netwerkinfrastructuur die er zienderogen op achteruit gaat. Maar ook onze hoge schuldenlast is een gevolg van deze scheeftrekking.

Het echte probleem is dat als we voort blijven doen zoals nu, straks ook de zorg voor de echte zwakkeren in onze samenleving in het gedrang komt. Niet nog meer herverdelen, maar meer bijdragen is de boodschap. Een pensioen naar werk is in die optiek een goed principe, althans mits voldoende aanzetten tot het leveren van een eigen bijdrage door iedereen tot de betaalbaarheid van het systeem. Karl Marx zei reeds: ‘Ieder naar zijn behoeftes, ieder naar zijn vaardigheden’.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud