Advertentie
Advertentie

Permanente bijzondere machten

©Saskia Vanderstichele

Heel even liet Johan Vande Lanotte (sp.a) in zijn kaarten en die van de traditio nele partijen kijken. Hij verklaarde dat sp.a 16 procent van de stemmen moet halen om na 25 mei een driepartijen regering mogelijk te maken. Die tripartite moet niet alleen de boel bijeenhouden, ook de toekomst van de traditionele partijen en hun machtsverkavelingen staan op het spel.

Het staat er zo terloops dat weinigen het merken. In hun interviewboek ‘Didier Reynders zonder taboes’ ondervroegen de auteurs Martin Buxant en Francis Van de Woestyne de MR-topman over de regering Martens-Gol. De jonge Reynders maakte in die dagen deel uit van het kabinet van vicepremier en liberaal boegbeeld Jean Gol. De regering, die de devaluatie doordrukte, zette het parlement buitenspel met bijzondere machten. Liefst vierhonderd bijzondere machtsbesluiten werden in die dagen door de regering genomen.

‘Het parlement heeft zich in tijden van snelle en diepgaande veranderingen geen efficiënt instrument getoond. Daarom zijn de bijzondere machten een noodzakelijk kwaad geweest’, vergoelijkte toenmalig CVP-voorzitter Frank Swaelen, die naderhand toch senaatsvoorzitter werd. De jonge Reynders was het daar volmondig mee eens. Hij goot die bijzondere machten in koninklijke besluiten. Hij deed dat met de hulp van onder anderen grondwetspecialist André Alen en Jacques van Ypersele de Strihou, de kabinetschef van Wilfried Martens en naderhand van koning Boudewijn.

Als Buxant en Van de Woestyne aan Reynders vragen of die bijzondere machten voor herhaling vatbaar zijn, repliceert de liberale vicepremier met een hem kenmerkende vrijmoedigheid: ‘Hoezo herhalen? Dat is toch wat we nu aan het doen zijn! Wat sociale en economische zaken betreft merk je dat in de begrotingen. Het is wel degelijk de regering die beslist. Het is niet abnormaal dat het parlement alleen maar moet controleren, goedkeuren en bekrachtigen.’

Bijzondere machten zijn dus niet meer nodig. Want niet langer het parlement maar de partijen controleren rechtstreeks hun ‘afgevaardigde kaderleden’, ook wel eens ministers genoemd. Dat een regering zou vallen door opstandigheid in de eigen parlementaire rangen, is vandaag uitgesloten. Dat hebben de grote partijen zo geregeld. Omdat de precaire communautaire constructies en evenwichten niet langer bestand zijn tegen de normale werking van het federale parlement.

Maar ook omdat het patrimonium van de drie traditionele politieke families en de machtsverkaveling die daarmee gepaard gaat, onaangetast moet blijven. Daar gaat het ook om op 25 mei.

Klassieke tripartite

Onlangs lichtte vicepremier Johan Vande Lanotte, al dan niet gewild, een zeiltje over de ware inzet van de komende verkiezingen. In een gesprek met het Gentse studentenblad Schamper deelde hij mee dat zijn partij sp.a 15 tot 16 procent van de stemmen moet halen om een voortzetting van de driepartijenregering mogelijk te maken. En in die tripartite zou hij het liefst het departement Volksgezondheid leiden.

De angst om die 16 procent niet te halen, verklaart meteen de heftigheid waarmee de top van de sp.a, die onder Steve Stevaert zijn laatste ideologische veren afschudde, tekeergaat tegen het linkse Groen en de ultralinkse PVDA . Die vormen inderdaad een ernstige bedreiging.

Om de kans op een stek in zo’n federale tripartite veilig te stellen, zijn ze bij Open VLD zelfs bereid electoraal te gaan tippelen langs de Antwerpse Ring. Door zich nu te verzetten tegen het Oosterweeltracé, dat de partij ooit steunde, hopen de Vlaamse liberalen nog wat loslopende kiezers binnen te halen. Al is die kans gering, want in Antwerpen, ooit een liberaal bolwerk, is de aantrekkingskracht van de partij beperkt. Open VLD weegt er nu al beduidend minder dan de PVDA, Groen en het Vlaams Belang.

De schade aangericht door de vorige generatie politici die bij Open VLD en de sp.a de plak zwaaiden en vooral de eigen carrière op het oog hadden, valt niet meer te meten. Met als gevolg dat beide partijen, althans in de peilingen, stilaan de grens van de irrelevantie bereiken. De enige manier om de komende jaren - zonder verkiezingen - opnieuw wat aan te sterken, is deel uitmaken van een traditionele federale tripartite. Alleen zo kunnen zij hun oude aandeel in de verkaveling van het overheidsapparaat veiligstellen.

De intrede van de N-VA in de federale regering zou die verkaveling grondig verstoren. De partij van Bart De Wever eist nu al sommige mandaten op, zoals in de raad van bestuur van de VUB, en dat tot grote vertwijfeling van de drie traditionele partijen. Daarom heeft de huidige federale regering aan de vooravond van de ontbinding van het parlement snel nog wat benoemingen vastgelegd. Zo werd een lid van het directiecomité van de Nationale Bank vroeger dan gepland door de PS dwingend met pensioen gestuurd, om plaats te ruimen voor een kabinetsmedewerker van premier Elio Di Rupo. Want je weet maar nooit.

En dus is die doorstart van de huidige federale coalitie echt wel aan de orde, ook al heeft die geen meerderheid op haar Vlaams flank.

Machtsbasis

De uithalen van de sp.a en Open VLD naar de N-VA dienen een ook een ander doel. Ze zetten druk op CD&V. Die wil alle opties openhouden, ook die richting de N-VA, zeker in Vlaanderen. Maar de partij kan zich niet veroorloven op 25 mei onder of op het resultaat van 2010 te blijven. In dat geval verliezen de Vlaamse christendemocraten, die tot nog toe in Vlaanderen de boel bij elkaar hielden, het politieke gezag om initiatieven te nemen.

En als een partij haar electorale slagkracht verliest, dan gaat ook de machtsbasis snel verschuiven. Want eens in de oppositie, moeten de door de partij benoemde mandatarissen en topambtenaren snel op zoek naar een nieuw steunpunt. Nadat het door paars-groen, samen met CD&V in de oppositie werd geduwd, zag CDH de meesten van haar diplomaten en topambtenaren met een onfatsoenlijke snelheid overlopen naar de MR.

Voor CDV bleef die schade enigszins beperkt door de steun van de standen. Al stapte een deel van de kaders van de christelijke arbeidersbeweging in die dagen prompt richting Groen, dat toen nog Agalev heette. Wat tot op de dag van vandaag blijft wegen op de relaties tussen de partij en haar arbeidersvleugel.

De mogelijkheid om tot die drieledige regering te komen wordt voort in de hand gewerkt door discrete manoeuvres die op dit moment aan de gang zijn in het Luikse. De banden tussen enerzijds de PS-kopstukken Jean-Pascal Labille (nu nog minister maar binnenkort weer de machtige man van de socialistische ziekenfondsen) en Jean-Claude Marcourt (die openlijk het Waalse minister-presidentschap ambieert) en anderzijds de liberale MR zijn hechter dan in Vlaanderen wordt aangenomen. Labille en Reynders zijn vrienden en hebben meer dan eens onderling delicate benoemingsdossiers geregeld, onder de neus van premier Di Rupo.

Bovendien lijken de PS en de MR tot elkaar veroordeeld, omdat de bijzonder ingewikkelde zesde staatshervorming op uitvoering wacht. Bea Cantillon, de directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen, waarschuwde onlangs in De Tijd voor de grootste moeilijkheden bij de overdracht en bijgevolg ontmanteling van de ouderenzorg, de kinderbijslagen en het arbeidsmarktbeleid. Er dreigt, volgens Cantillon, een immobilisme van vele jaren, en dat kunnen we ons niet veroorloven.

In Wallonië en Brussel wordt nu al aangedrongen op uitstel van de overdrachten van die bevoegdheden. De Franstalige regeringspartijen beseffen dat zowel Wallonië als Brussel niet in staat is de zesde staatshervorming meteen te verwerken. Om de zaken nog enkele jaren in de klauw te houden en de financiële stromen te controleren is zo’n tripartite handig, zeker als die zoals de huidige federale regering ‘stoemelings’ met permanente bijzondere machten regeert.

De enige die op 25 mei nog roet in het eten van de regeringspartijen kan gooien, is de kiezer. En daar is algemeen van bekend dat hij volstrekt onbetrouwbaar is.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud