Freelancejournalist en regisseur

Soms laten politici pas als ze de pensioengerechtigde leeftijd ver voorbij zijn de achterkant van hun tong zien. Charles Picqué (PS) is zo iemand. Hij is nog steeds een invloedrijk lid van een partij die zich hevig verzet tegen het optrekken van de pensioenleeftijd, maar dat belet hem niet op zijn 71ste zijn 35ste verjaardag te vieren als burgemeester van Sint-Gillis. Ideologische principes willen in de PS wel vaker wijken voor persoonlijke belangen.

©Photo News

Picqué was 20 jaar minister-president van het Brussels Gewest. In die functie hield hij zich aan een zekere communautaire terughoudendheid die hem ook bij Nederlandstaligen populair maakte. Maar dat beeld van de verzoener lijkt helemaal verdwenen. ‘Ik ben het beu’, zegt hij in een zeer assertief interview in Le Soir. Volgens hem wordt de publieke opinie in het noorden opgezweept met het steeds herhaalde beeld van Franstaligen die van de Vlaamse geldstromen naar het zuiden profiteren. ‘Noord-zuidtransfer?’ zegt Picqué, in de titel boven het interview. ‘Ze vergeten de geldstromen van Brussel naar Vlaanderen.’

Voor alle duidelijkheid: ‘ze’, dat zijn de Vlamingen. Net zoals in de eerste zin van het interview waarin Picqué zich afvraagt: ‘Willen ze de scheiding?’ De Picqué op leeftijd weet dat een polariserend wij-zijverhaal het altijd goed doet bij een bepaald Brussels publiek. Zeker als de ‘zij’ Vlamingen zijn.

Soms krijg je de indruk dat de Belgische scheidingsdrang meer leeft in Franstalige dan in Vlaamse hoofden.

Picqué vindt dat ‘de waarheid hersteld moet worden’. Er moet eindelijk een ‘echte’ boekhouding komen die de geldstromen correct in beeld brengt. Hij ergert er zich aan dat met Brussel nooit rekening gehouden wordt in het financiële debat. Picqué maakt zich geen illusies: de Vlamingen zullen die Brusselse inbreng nooit erkennen en zo de transfers ‘objectiveren’.

Die Vlamingen onderschatten hoezeer ze van Brussel profiteren, poneert Picqué. De lonen die Vlaamse pendelaars er verdienen, ziet hij als transfers die bijdragen tot de Vlaamse welvaart. Picqué rekent daar ook de opleidingskosten bij van Brusselaars die in Vlaanderen komen werken, betaald met hoofdstedelijk geld.

Merk Brussel

Picqué zegt dat hij uit is op een objectivering van de transfers, maar tegelijk brengt hij een uiterst subjectief element in het debat. Vlaamse ondernemingen profiteren volgens hem van het ‘merk Brussel’ dat een internationale uitstraling heeft en dat de werkgeversorganisatie Voka zonder schroom gebruikt. Met ‘Brussel’ worden buitenlandse investeerders verleid om in Vlaanderen te investeren. ‘Dat wordt niet ingebracht in de noord-zuidtransfers’, betreurt Picqué. ‘Nochtans is het een transfer, maar dan in de andere richting.’

Het zwakke punt in zijn stelling is dat in alle landen de export profiteert van de bekendheid van de hoofdstad. De nauwelijks verborgen angel in zijn redenering is dat hij het statuut van Brussel als een tweetalig hoofdstedelijk gewest ter discussie lijkt te stellen. Toen hij nog minister-president was, had hij ook al geen moeite met de naamsverandering van de Franse gemeenschap in ‘Fédération Bruxelles-Wallonie’. Op dat moment liet hij zijn communautaire neutraliteit voor het eerst duidelijk vallen.

Picqué zegt dat hij uit is op een objectivering van de transfers, maar tegelijk brengt hij een uiterst subjectief element in het debat.

Nu gaat Picqué een stap verder. Brussel mag dan wel multicultureel zijn, maar voor hem blijft het in de eerste plaats een Franstalige stad. Met een redenering die het FDF altijd dierbaar geweest is, baseert hij zich op de taal van de afgeleverde identiteitskaarten om te concluderen dat 90 procent van de Brusselaars Franstalig is. Dat wie geen Belg is - en er zijn in Brussel meer dan 180 nationaliteiten - in de Brusselse gemeentehuizen als Franstalig wordt ingeschreven, zegt hij er natuurlijk niet bij.

Picqué vindt het vanzelfsprekend dat anderstaligen die zich van het Frans als lingua franca bedienen in de beste franskiljonse traditie worden ingelijfd bij de ‘francophonie’. Dat lijkt te passen in een strategie waarbij het Brussels Gewest zich steeds meer als Franstalig opstelt in een alliantie met Wallonië, tegen de nationalistische partijen in Vlaanderen. De aanduiding van de communautaire scherpslijper Olivier Maingain (DéFi) als gewestelijk verbindingspersoon met Wallonië was daar een teken van.

Soms krijg je de indruk dat de Belgische scheidingsdrang meer leeft in Franstalige dan in Vlaamse hoofden.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud