‘Sorry, ik ben journalist, geen arts'

Onze correspondent in Griekenland

‘Ik kom uit Noord-Irak. Krijg ik asiel in uw land?’ wil een jongeman weten. ‘Ik weet het niet. Sorry, ik ben maar een journalist’, zeg ik verontschuldigend. Ik krijg een glazige blik terug.

Ik ben zojuist aangekomen in het kamp Moria op het Griekse eiland Lesbos. Daar moeten alle vluchtelingen die per rubberboot vanuit Turkije aankomen - duizenden per dag - zich melden, voor ze verder Europa in kunnen reizen. Een zogenaamde hotspot. Een chaos is het, zonder informatie, voedsel of droge kleren. De regen heeft het kamp in een modderpoel veranderd. Iedereen die er westers uitziet, wordt aangeklampt. Ook ik. In het eerste halfuur krijg ik vragen over de registratieprocedure, de weg naar de haven, medische hulp en goedkope hotels.

Mijn natuurlijke werkhouding is die van zo veel mogelijk afstand nemen, dat past bij de rol van een journalist die hoort te observeren, toch? Het beste is als je onzichtbaar bent, onherkenbaar, een soort vlieg op de muur. Maar hoe doe je dat in hemelsnaam, als zich om je heen zulke mensonterende taferelen afspelen?

In het registratiekamp op Lesbos wordt iedereen die er Westers uitziet aangeklampt. Ook ik.

Ik hoor hoe mijn Amerikaanse collega-journalist met een Syriër praat die bij de overtocht vanuit Turkije al zijn geld op zee is verloren. Hij kan het ticket voor de boot naar Athene niet betalen. Ik heb geen reden om aan zijn verhaal te twijfelen. Landgenoten - die hem niet kennen - zijn een inzameling voor hem begonnen. Of wij wat willen bijdragen? Ik besluit niet te geven. Want het voelt over de grens, alsof ik al mijn afstand kwijt zou zijn. Bovendien is dan het hek van de dam. Ik wil iedereen hier helpen, maar dat kan ik niet. Mijn Amerikaanse collega geeft al haar kleingeld. Meer heeft ze sowieso niet bij zich. Ik schaam me.

Aan de rand van het kamp, op weg naar een interview met een politiewoordvoerder, komen een man en een vrouw op ons afgelopen. Allebei kletsnat. De vrouw probeert de baby in haar arm met thermische folie tegen de striemende regen te beschermen. Zodra ze mijn aandacht heeft, duwt de vrouw de baby in mijn armen. ‘Dokter?’, vraagt ze. Ik zeg in het Engels dat ik niet in het kamp werk, dat ik journalist ben. Daar heeft ze duidelijk geen boodschap aan, zij en haar man lijken bovendien geen Engels te verstaan. ‘Dokter?’, vraagt ze nogmaals. Het kind, nog geen jaar oud schat ik, ligt intussen onbedaarlijk in mijn armen te huilen. Mijn Amerikaanse collega weet ook niet wat ze moet zeggen. ‘Ga jij maar alleen naar dat interview’, zeg ik. ‘Ik ga op zoek naar een arts.’

Wat moet ik doen? Ik kan toch niet zomaar weglopen?

Ik loop in de modder door het kamp, de baby tegen mijn borst. Na vijf minuten zie ik iemand lopen met een hesje van een hulporganisatie. Ik leg hem de situatie uit. Hij belooft het kind en zijn ouders bij een arts te brengen. Als ik het kamp verlaat, glijd ik door de modder langs de eindeloze rij verkleumde wachtenden.

‘Spreekt u Frans?’, klinkt het ineens. Een Congolees van in de twintig slaakt een zucht van verlichting als ik bevestigend antwoord. ‘Help mij alstublieft. Ik ben helemaal alleen en spreek geen Engels, en niemand spreekt hier Frans’, zegt hij wanhopig. ‘Toen ik na twee dagen wachten aan de beurt was voor registratie, werd ik door andere vluchtelingen weer achter in de rij gezet.’ Ik probeer hem duidelijk te maken dat ik er niet voor kan zorgen dat hij voorrang krijgt. ‘Alstublieft! Ik heb geen eten en geen drinken meer. En ik kan met niemand praten, behalve met u. Ik ben bang dat ik straks weer word teruggestuurd.’

Wat moet ik doen? Ik kan toch niet zomaar weglopen? Ik probeer te verbergen dat ik het ook niet weet. Ik kijk naar de jongens die ook in de rij staan. Irakezen. ‘Wie spreekt er Engels?’, vraag ik streng. ‘Kunnen jullie deze jongen helpen? Alsof hij een van jullie is?’ Een van de jongens knikt en schudt de Congolees de hand. ‘Natuurlijk. Wij passen op hem.’

Na een halve dag besef ik dat het geen enkele zin heeft vol te houden dat ik mijn werk hier als buitenstaander kan doen. Buitenstaander, dat zegt deze wanhopige mensen helemaal niks. Voor hen ben ik blank en dus Europa.

Door Thijs Kettenis, onze correspondent op Lesbos

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud