Té springlevend?

Het sociaal overleg is dood en begraven. Waar is de tijd dat we dat continu hoorden? Wel, nog niet zo ver achter ons eigenlijk.

Door Dave Sinardet, professor politieke wetenschappen aan de VUB. Zijn column verschijnt tweewekelijks op woensdag

Een jaar geleden regende het nog analyses dat vakbonden en werkgevers zelfs over het kleinste detail geen akkoord meer konden vinden. Lukte het toch eens, zoals over de harmonisering van het statuut arbeiders-bedienden, dan was het pas na bloed, zweet, tranen en eindeloos gepalaver. En na een fikse duw van de regering, vergezeld van een zak geld.

Maar kijk eens aan. De voorbije maanden produceert de Groep van Tien plots akkoorden bij de vleet. Ambitieuze bovendien. In die mate dat ze zelfs belangrijke aspecten van het regeerakkoord herzien. In een jaar tijd van dood en begraven naar springlevend.

©Dieter Telemans

In beide gevallen was de analyse overtrokken, maar de heropleving is er wel. Ziedaar de zoveelste verwachting die niet uitkwam over deze regering, die alle verworvenheden van het Belgische systeem in vraag zou stellen. Vakbonden en werkgevers vinden zelfs meer onderlinge overeenstemming dan onder de traditionele tripartite. Meer dan sommigen gehoopt en anderen gevreesd hadden.

Want over de vraag welke ruimte dat sociaal overleg in ons besluitvormingssysteem moet krijgen, loopt in de regering een breuklijn.

Vakbonden en werkgevers vinden nu meer onderlinge overeenstemming dan bij een traditionele tripartite.

De enen stellen dat vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers het best geplaatst zijn om met elkaar te overleggen en tot een consensus te komen. Zo’n akkoord is maatschappelijk zeer waardevol en legitiem, dus moet de regering dat ook uitvoeren. De anderen vinden dat de vertegenwoordigers van het volk het laatste woord moeten hebben. Een relevant en boeiend debat over democratie.

Tot daar echter de theorie. Achter de democratische argumenten schuilen vaak ook andere drijfveren.

Sommige partijen hebben nu eenmaal betere banden met de sociale partners dan andere. In de context van een rechtse regering betekent meer sociaal overleg ook meer invloed van de vakbonden.

Het is dan ook begrijpelijk dat vooral de N-VA een (zeer) koele minnaar is van de Groep van Tien. De partij deed al veel toegevingen: niet enkel haar communautaire agenda ging in de koelkast, ook socio-economisch werden de scherpste kantjes eraf gevijld, vooral door CD&V. Uiteindelijk kwam er een regeerakkoord waarin de sporen van verandering met een vergrootglas te zoeken waren. En dan komen de sociale partners even doodleuk de laatste kruimels wegvegen. Maar ja, één van die toegevingen van de N-VA tijdens de onderhandelingen was om het sociaal overleg te respecteren. Die toegeving brengt er nu andere voort.

Onder meer voor dezelfde redenen en vanwege hun historische banden met het middenveld zijn de christendemocraten in de regering de grootste verdediger van het sociaal overleg.

De houding van de werkgevers lijkt iets verrassender. Ze hebben nu eindelijk een regering die voor een groot deel hun agenda uitvoert. Waarom betrekken ze dan toch nog de vakbonden via het kanaal van het sociaal overleg?

Voor de sociale partners is het overlegmodel al evenmin louter een geloofskwestie, maar vaak ook een instrument dat ze gebruiken naargelang het hen uitkomt. Zo is het voor de vakbonden vandaag interessanter om via akkoorden met de werkgevers invloed uit te oefenen, omdat ze veel minder toegang hebben tot de regeringspartijen dan tijdens de vorige legislatuur. Zeker het ABVV kon toen via de PS en de sp.a een aantal zaken gedaan krijgen.

De houding van de werkgevers lijkt iets verrassender. Ze hebben nu eindelijk een regering die voor een groot deel hun agenda uitvoert. Waarom betrekken ze dan toch nog de vakbonden via het kanaal van het sociaal overleg?

Dat komt omdat de breuklijn tussen de sociale partners niet altijd links-rechts loopt. Ze loopt soms ook tussen die partners en de regering. Zoals in het dossier van de brugpensioenen, waar vakbonden en werkgevers objectieve bondgenoten zijn. Die laatsten maken er graag genoeg gebruik van bij herstructureringen. De overheid betaalt toch grotendeels de prijs.

Voor partijen als de N-VA en Open VLD moet het frustrerend zijn dat de werkgevers, die toch niet mogen klagen over de luisterbereidheid bij de liberalen en de Vlaams-nationalisten, als het erop aankomt het regeringsbeleid afzwakken via een monsterverbond met de vakbonden. Dat is nu eenmaal machtspolitiek.

Ook de stelling van de N-VA dat uiteindelijk steeds parlement en regering het laatste woord moeten hebben, als emanatie van de wil van de kiezer in een nationale democratie, blijkt vrij rekbaar. In de Griekse kwestie is de stem van de Griekse kiezer ondergeschikt aan de logica van de trojka - die zo niet meer mag heten - en uiteindelijk van de markt.

Les arguments sont faits pour s'en servir.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud