Crisis of niet, traag maar zeker worden we allemaal rijker. Ook de armsten in ons land. Al gaat het voor hen te traag.

10 procent, zoveel zijn de Belgische gezinnen er tussen 2004 en 2017 op vooruitgegaan. Het cijfer slaat op het beschikbare inkomen, de beste graadmeter voor koopkracht. In 13 jaar zijn we, qua consumptie, 10 procent rijker geworden.

Ergens is dat verbazend. Het toont hoe we in die tijdsspanne van 13 jaar de financiële crisis, die banken deed omvallen en twee recessies veroorzaakte, eigenlijk niet gevoeld hebben in onze consumptie. Het toont ook dat de politieke crisissen van 2007 en 2010-2011 weinig gevolgen hadden voor de gezinsbudgetten.

3
procent
De 5 procent Belgen met het laagste inkomen zagen hun koopkracht sinds 2004 maar met 3 procent stijgen.

Nog opmerkelijk is dat volgens de data de ongelijkheid niet is toegenomen. Dat komt omdat de 20 procent beste verdieners hun inkomen maar matig zagen stijgen, evenals de 20 procent laagste verdieners. De echte winnaar is de brede middenklasse.

Dat beeld bleek eerder al uit de data van de Franse econoom Thomas Piketty. België scoort daarin qua ongelijkheid veel lager dan de andere industriële landen. Dat komt onder meer omdat in ons land de collectieve loononderhandelingen de loonverschillen al bij al beperkt houden.

Maar ongelijkheid is niet hetzelfde als armoede. En daar doen de data wel een alarmbel afgaan. De 5 procent Belgen met het laagste inkomen zagen hun koopkracht sinds 2004 maar met 3 procent stijgen.

Met de cijfers is omzichtigheid geboden. De armste Belgen in 2004 kunnen andere mensen zijn dan de armsten in 2017. Sommigen zullen zich uit die groep weggewerkt hebben, anderen zullen erin beland zijn.

Mededogen

Bovendien blijft het een relatieve indicator: zet alle Belgen op een rijtje van arm naar rijk. Neem het inkomen van de middelste in de rij en neem daar 60 procent van. Dat is de definitie. En ze doet armoede stijgen als die middelman rijker wordt. Ook nog: de armsten zijn niet armer geworden, maar ze zien hun inkomen trager stijgen dan de meeste anderen.

Tegelijk mag de nuance over de cijfers niet zo ver doorslaan dat alle mededogen verdwijnt met wie effectief onderaan staat op de inkomensladder. Evenmin kan het de bedoeling zijn te negeren dat er effectief een probleem is.

Uiteindelijk komt het weer neer op de economische erfzonde van België: te weinig mensen die kunnen werken, doen dat ook.

De antwoorden zijn helaas lastig, omdat ze traag werken én omdat ze politiek vaak contra-intuïtief zijn. De traagheid zit in het onderwijs. Minder dan de helft van wie geen diploma middelbaar onderwijs heeft, is aan de slag. Maar zelfs als onze scholen er vanaf morgen in slagen iedereen een diploma te laten behalen, is het effect pas op lange termijn ten volle voelbaar op de arbeidsmarkt.

Het contra-intuïtieve is dat een hoog minimumloon voor sommige mensen helaas te hoog gegrepen is, waardoor ze zonder werk blijven. Het zou hen helpen met een lager loon te beginnen, in de hoop dat ze dan via ervaring, werkattitude en opleiding snel kunnen opklimmen naar een degelijk loon.

En uiteindelijk komt het ook weer neer op de economische erfzonde van België: te weinig mensen die kunnen werken, doen dat ook. Het verschil met landen als Nederland is enorm. Het slaat niet alleen een gat in de begroting, maar houdt ook de uitkeringen laag. Ook voor die 5 procent onderaan op de inkomensladder.

Lees verder

Tijd Connect