Bart Haeck

Een bredere erkenning dat langer werken nodig is om de sociale zekerheid overeind te houden, zou de verkiezingscampagne realistischer maken.

N-VA-voorzitter Bart De Wever gaf dinsdagavond de verkiezingscampagne ongewild een nieuwe focus door op aandringen van sp.a-voorzitter John Crombez toe te geven dat de pensioenleeftijd tot boven 67 jaar zal moeten gaan, omdat de levensverwachting tot 2070 blijft stijgen.

De stroom van reacties die volgde, toonde hoe gevoelig het thema ligt. Onderzoek van Universiteit Antwerpen naar 1.000 nieuwsberichten en 200.000 tweets per dag leerde eerder al dat niet migratie of klimaat, maar pensioenen het meest besproken thema van deze campagne is. De uitspraak van De Wever was de vonk om dat smeulend vuurtje helemaal in lichterlaaie te zetten.

Wat opvalt, is dat het gaat om een vrij symbolische discussie. De PVDA liet het Planbureau zelfs berekenen wat het de komende vijf jaar zou kosten om de pensioenleeftijd terug te draaien naar 65. Antwoord: nul euro, want zelfs in de huidige regeringsplannen stijgt de pensioenleeftijd pas in 2030 naar 67 jaar.

De echte pensioendiscussie gaat bovendien over iets anders: hoelang moet je werken om een volwaardig pensioen te krijgen? 40 jaar, zoals het Vlaams Belang en de PVDA vinden? 42 jaar, zoals de sp.a en Groen voorstellen? Of 45 jaar, zoals de N-VA, Open VLD en CD&V zeggen? Ter informatie: meisjes die in 2017 werden geboren, zullen naar schatting gemiddeld 83 jaar oud worden.

In die zin is de verkiezingscampagne over de pensioenen in hetzelfde bedje ziek als die over het klimaat en de begroting. Niemand zegt in detail hoe we de rekeningen betalen, terwijl iedereen weet dat het allemaal samen op het bord van de volgende regeringen van dit land komt.

De verkiezingscampagne over de pensioenen is in hetzelfde bedje ziek als die over het klimaat en de begroting.

Het is een lastige discussie. Ze gaat over hoelang we gezond zijn, wíé gezond genoeg blijft om lang te werken en hoe werk voor ouderen werkbaar blijft. Maar dat we beter kunnen, leert het voorbeeld van Nederland. Omdat Belgen vroeger stoppen en de loopbaan vaker onderbreken, werken Nederlanders in een mensenleven zeven jaar langer. Ook in de andere Noord-Europese landen, terecht geroemd om hun sociale zekerheid, wordt een pak langer gewerkt dan bij ons.

De pensioendiscussie is des te complexer omdat ze zich breed vertakt. Ze gaat ook over hoe we meer mensen met een migratieachtergrond aan het werk krijgen, iets waar België slecht op scoort.

Ze gaat zelfs over de fairheid van nog meer taksen op de inkomsten uit vermogen. Als je ziet dat de overheid zich niet voorbereidt op de vergrijzing, en je spaart zelf een vermogen bijeen, is het dan fair dat in de voorbije tien jaar de roerende voorheffing verdubbelde? Om een idee te geven: stel dat je jezelf een maandelijks pensioen van 1.500 euro per maand wil geven via een belegging in Belgische staatsobligaties, dan heb je daar vandaag met 30 procent roerende voorheffing een vermogen van 6,4 miljoen euro voor nodig. Ook die discussie hoort thuis in het pensioendebat.

Er zijn geen makkelijke oplossingen. Maar au fond is er wel die ongemakkelijke waarheid: als we een comfortabele welvaartsstaat willen voor een vergrijzende bevolking, moeten we er met meer mensen lang genoeg voor werken.

Reageren? Deel uw mening met ons en andere lezers op www.tijd.be/commentaar

Lees verder

Tijd Connect