Stefaan Michielsen

Het Nationaal Plan voor Strategische Investeringen waarmee premier Charles Michel wil scoren heeft weinig om het lijf en blijft steken in goede intenties.

De brokstukken die uit de tunnels en viaducten vallen, het plafond dat omlaag komt in de griffie van het Hof van Cassatie, de zinkgaten in de wegen, de lekkende waterleidingen: het zijn allemaal alarmsignalen dat ons land te weinig investeert in zijn infrastructuur. Het is de verdienste van premier Charles Michel (MR) dat hij dat op de politieke agenda heeft gezet en in België een belangrijke investeringsversnelling op gang wil trekken. Een groep experts, op wie hij een beroep deed, stelde dinsdag haar rapport voor, een voorstel voor een Nationaal Pact voor Strategische Investeringen. Dat klinkt indrukwekkend. En indrukwekkend is ook het bedrag aan investeringen dat de expertengroep aanbeveelt: 150 miljard euro tegen 2030.

Maar met dit rapport zijn er een aantal problemen. Een: veel mensen zijn betrokken bij de opstelling ervan, er is heel wat werk en overleg in gekropen. Maar het blijft hangen in aanbevelingen en intenties. Het rapport bevat te weinig concrete projecten.

De onderinvesteringen waarmee ons land kampt zijn het resultaat van de politieke keuzes die zijn gemaakt.

Twee: het investeringspact wil nationaal zijn. Maar de investeringen zijn in dit land voor een belangrijk stuk de verantwoordelijkheid van de regio’s. Het is niet evident alle bestuursniveaus achter één visie en een plan te krijgen. Ze hebben allemaal hun eigen agenda en prioriteiten. De minister-presidenten van Brussel en de Franstalige Gemeenschap, Rudi Vervoort en Rudy Demotte, beiden lid van de PS die federaal in de oppositie zit, stuurden dinsdag hun kat naar de voorstelling van het rapport. Zelfs in de federale regering staat een aantal ministers sceptisch tegenover het initiatief van Michel. Maar ze gunnen hem zijn show.

Drie: een investeringspact is automatisch een langetermijnproject dat de tijd moet krijgen om wortel te schieten. Het investeringspact wordt echter op gang getrokken op een goed halfjaar voor de volgende federale en regionale verkiezingen. De kans dat dit werkstuk die verkiezingen overleeft en een belangrijk onderdeel van de volgende regionale en federale regeerakkoorden wordt, is niet bijster groot.

Vier: er is de centenkwestie. Van de vooropgestelde 150 miljard euro investeringen moet ongeveer de helft van de overheid komen. Waar zal ze die centen halen? De verschillende overheden in ons land hebben nu al de grootste moeite om hun begrotingen in evenwicht te houden. Het geld zal de komende jaren niet opeens uit de hemel komen vallen. De overheden in België investeren jaarlijks 10 miljard euro, waarvan 2,5 miljard in infrastructuur. Dat is weinig, maar het gevolg van de politieke keuzes. Er zijn altijd wel uitgaven die belangrijker worden geacht. Als er meer geld naar investeringen gaat, moet elders worden bespaard. In de sociale uitgaven? In de subsidies aan bedrijven? In de overheidsadministratie?

Soepele Europese begrotingsregels zijn geen oplossing voor die centenkwestie. Ja, dan zou ons land het begrotingstekort kunnen laten oplopen. Maar dan zwelt de overheidsschuld, die al meer dan 100 procent van het bruto binnenlands product bedraagt, weer snel aan. En dat schept een hoop economische gevaren.

Aan woorden ontbreekt het niet. Waar blijven de daden? Meer investeringen? Iedereen kan het doen, op zijn terrein: gemeenten, gewesten, de federale overheid, de overheidsbedrijven. Er zijn genoeg concrete projecten. Maak een financieel plan en begin eraan. Als dat allemaal loopt, organiseer dan - maar dan pas - een hoogmis om over ambitieuzere plannen te spreken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content