De stijgende rusthuisfactuur toont akelig concreet hoe het sociaal contract - je werkt, betaalt belastingen en daarna wordt voor je gezorgd - niet sluitend is. Maar er zijn manieren om het beter te maken.

Een kleine 1.700 euro per maand. Dat is wat wie vorig jaar in een Vlaams rusthuis verbleef, uit eigen zak moest betalen. Het is een stevig bedrag, dat een pak hoger ligt dan het gemiddeld pensioen - rond 1.200 euro per maand - en eveneens hoger is dan wat je in België netto van een minimumloon overhoudt. De rusthuisfactuur stijgt bovendien: vorig jaar lag ze gemiddeld 52 euro per maand hoger dan in 2016, waardoor ze sneller stijgt dan de algemene inflatie.

Het is een shockerend cijfer omdat het aanvoelt alsof de overheid het sociaal contract met de burger verbreekt. Dat sociaal contract komt erop neer dat we werken zolang we gezond zijn, op het loon dat we verdienen meer dan een beetje belastingen betalen, en dat voor ons wordt gezorgd zodra we niet meer kunnen werken. Maar zo loopt het dus niet. Het sociaal contract is uitgehold. We werken collectief veel minder jaren van ons leven dan bijvoorbeeld de Nederlanders. En we krijgen in ruil - niet verwonderlijk - een pensioen dat lager is dan in de meeste rijke landen. 

De vraag is hoe we dat sociaal contract herstellen. Het antwoord is dat het van veel dingen tegelijk zal moeten komen. Wellicht kan technologie en een betere organisatie van de ouderenzorg helpen. Nu al blijven ouderen veel langer dan vroeger thuis en gaan ze pas naar een rusthuis als zware medische zorgen nodig worden. 

Een tweede deel van het antwoord ligt in een financieel gezondere overheid. Het begrotingstekort van de federale regering is door de goede conjunctuur kleiner aan het worden, maar er zullen nog jaren inspanningen nodig zijn om de Belgische welvaartsstaat echt voor te bereiden op de vergrijzingskosten. De rusthuisdiscussie toont dat het debat over de begrotingstekorten niet abstract is, maar naar de kern van het sociaal contract gaat. De evidentste manier om het gat te dichten is dat meer mensen werken.

Weinig ouderen zijn bereid hun huis te verkopen om het rusthuis te betalen, maar dat idee zullen we wellicht vaker moeten verlaten.

Een derde deel van het antwoord schuilt in een beter begrip van hoe onze sociale zekerheid en ons sociaal contract werken. Het is niet alleen de overheid die het vangnet spant. Het is ook je familie, waar kinderen nog altijd een onderhoudsplicht hebben voor onvermogende en hulpbehoevende ouders. En het ontslaat je niet van je individuele verantwoordelijkheid om voor jezelf te zorgen, zowel qua gezondheid als financieel. De meeste Belgen doen dat ook, door te sparen en een eigen huis te kopen. Voor gepensioneerden maakt het een wereld van verschil of ze met hun pensioen ook nog de huur moeten betalen, dan wel wonen in een eigen, afbetaalde woning. Alleen zal wellicht een taboe moeten sneuvelen om het plaatje ook te doen kloppen voor de rusthuisfactuur. 

Het taboe is dat weinig mensen bereid zijn hun huis te verkopen aan het einde van hun leven, omdat ze er emotioneel aan gehecht zijn. Dat idee zullen we wellicht moeten verlaten. Een omgekeerde hypotheek kan de beslissing minder bruusk maken: in dat systeem kan je blijven wonen in je huis, betaalt de bank je een maandelijkse som en wordt ze aan het einde van de looptijd van de hypotheek ­eigenaar van de woning.

Het vergrijzingsprobleem is immens, maar er zijn manieren om het aan te pakken. Dat kan als meer mensen werken, de overheid zich op begrotingsvlak herpakt, technologie ons een handje helpt en we goed beseffen dat we ook verantwoordelijk voor onszelf blijven.

Lees verder

Tijd Connect