Senior writer

Alleen wie zonder zonde is, mag een steen werpen. Als het de Belgische overheid menens is de fiscale ontwijking van bedrijven via belastingparadijzen aan te pakken, moet ze er eerst zelf wegblijven.

In een reactie op de onthullingen in de Paradise Papers beloofde minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) gisteren dat zijn belastingdiensten de constructies opgezet door Belgische bedrijven die in het dossier opduiken nauwgezet zullen onderzoeken. Ze kunnen in eigen huis beginnen. De Belgische Maatschappij voor Internationale Investering (BMI), een overheidsvehikel en filiaal van de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij (FPIM), blijkt ook de afslag naar de Britse Maagden­eilanden te hebben genomen.

De twee maatschappijen vallen onder de voogdij van de minister van Financiën. De FPIM wordt geleid door Koen Van Loo, een voormalige kabinetschef van MR-kopstuk Didier Reynders. De voorzitter van de raad van bestuur van de BMI is Jean-Claude Fontinoy, een andere Reynders-getrouwe. De raden van bestuur van én de FPIM én de BMI zaten en zitten vol met vertegenwoordigers van de grote politieke partijen, van alle kleuren. Het voorzitterschap van de FPIM was tot eind 2015 in handen van de Franstalige socialisten, met jarenlang Robert Tollet, in 2013 opgevolgd door Laurence Bovy, de kabinetschef van Laurette Onkelinx. Bestuurder tot vorig jaar van de BMI was, oh ironie, Hans D’Hondt, de topman van Financiën, van de fiscus dus.

Die zegt nooit op de hoogte te zijn geweest van de activiteiten van de BMI op de Britse Maagden­eilanden. Dat liedje zullen veel andere bestuurders van de twee maatschappijen nu ook wel zingen. Het blijkt inderdaad dat de BMI niet transparant was over het ommetje. Een vergetelheid? Of bewuste misleiding om te vermijden dat daarover stampei zou worden gemaakt? Dat dient uitgeklaard te worden. En het is hoe dan ook ongeloofwaardig dat niemand bij de BMI of de FPIM op de hoogte zou zijn geweest van het belang in de postbus­vennootschap op het Caraïbische eiland.

De overheidsbestuurders zullen nu wel in koor zingen dat ze niet wisten van het uitstapje naar het belastingparadijs.

Het is niet de eerste keer dat de Belgische overheid in een lastig parket komt door activiteiten in belastingparadijzen. Een vijftal jaar geleden kwam aan het licht dat geld voor ontwikkelingshulp belegd werd via exotische belastingparadijzen. En vorig jaar raakte in de Panama Papers bekend dat de bank Dexia, waarin de overheid een belang én bestuurders had, vermogende klanten hielp om schermvennootschappen op te zetten. De overheid is dus, direct of minder direct, soms medeplichtig aan het organiseren van belastingontwijking, waardoor de schatkist belangrijke inkomsten misloopt.

Dat de politici nu joelen over bedrijven die vehikels in belastingparadijzen opzetten, is nogal hypocriet. Als politici bedrijven daarover willen terechtwijzen, moeten ze eerst maken dat de overheid zelf, waar zíj aan de knoppen zitten, zich niet aan dezelfde praktijken bezondigt. Alleen wie zonder zonde is, mag een steen werpen.

Als de overheid met enige autoriteit de belastingontwijking van ondernemingen via belastingparadijzen wil aanpakken, moet ze daar eerst zelf wegblijven. Het argument dat de overheid zich heeft laten meetronen door privébedrijven - in dit geval om via de constructie een Belgische privéinvestering in een havenproject in Vietnam te ondersteunen - voldoet niet. De overheid moet strenge criteria hanteren. En als ze een hefboom heeft, moet ze die gebruiken. Geen ommetjes via belastingparadijzen: het is een evidente conditio sine qua non voor elke samenwerking die de overheid opzet met ondernemingen of de financiële steun die ze hen geeft.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud