Ambitie en arrogantie

Amper vier maanden na de eerste Noord-Koreaanse kernproef, zweert dat land zijn nucleaire ambities af. In ruil krijgt het geïsoleerde regime van Kim Jong-il opnieuw internationale steun, goed voor zowat 300 miljoen dollar aan olie en voedsel. Dat is de uitkomst van het zeslandenoverleg tussen Noord-Korea, Zuid-Korea, de Verenigde Staten, China, Rusland en Japan.

Natuurlijk is het akkoord een doorbraak na een maandenlange impasse. Maar het is geen afdoende garantie dat Kim Jong-il zijn beloftes nakomt. Daarvoor zijn er nog te veel leemtes. Pyongyang belooft enkel een omstreden kerncentrale te sluiten en internationale wapeninspecteurs toe te laten. Over de ontmanteling van het nucleaire arsenaal wordt nog gepraat.

Opmerkelijk zijn de Amerikaanse toezeggingen aan de Noord-Koreanen. Er is sprake van de hervatting van de diplomatieke betrekkingen en de deblokkering van Noord-Koreaanse bankrekeningen. Om het ijs te breken, verdwijnt Noord-Korea snel van de lijst van staten die het internationale terrorisme steunen.

Die Amerikaanse vrijgevigheid riep gisteren meteen zure reacties op. De haviken in Washington verweten president George Bush te zijn bezweken voor de chantage van Kim Jong-il. Die aanpak zou andere vijanden kunnen aanmoedigen, zongen ze in koor. Zij verwezen zonder uitzondering naar Iran, dat ook koppig doorwerkt aan een nucleair programma.

Iran is echter helemaal niet te vergelijken met Noord-Korea. Het regime van Kim Jong-il heeft bijvoorbeeld al kernwapens; de ayatollahs in Teheran moeten nog enkele jaren wachten. Daarom is het wel degelijk van belang dat de Noord-Koreanen hun arsenaal ontmantelen.

Ook op politiek-strategisch niveau is er een wereld van verschil. Het verpauperde Noord-Korea kreunt onder de hongersnood en het gebrek aan elektriciteit, terwijl Iran de oliedollars ziet binnenstromen. Bovendien werpt Teheran zich steeds meer op als een regionale grootmacht. Die ambitie heeft Kim Jong-il al opgeborgen.

De opmars van Iran is geen alleenstaand fenomeen. Kijk maar naar de groeiende ambities van de leiders in Rusland, China en Venezuela. Die landen laten een forse economische groei optekenen. En ze profiteren volop van de verzwakking van de VS, dat zich heeft vastgereden in het Iraakse conflict.

Er zijn signalen dat de VS zich langzamerhand neerleggen bij de nieuwe realiteit. Dat ze met andere woorden beseffen dat ze het niet meer alleen aankunnen. Het zeslandenoverleg over Noord-Korea is geen uitzondering. Rond Iran werkt Washington samen met Europa, en voor Irak rekent Bush op zijn Arabische bondgenoten.

Toen Bush zes jaar geleden het Witte Huis introk, beloofde hij een einde te maken aan het imago van de arrogante VS. Daar kwam niets van terecht. Misschien vaart Bush in de laatste twee jaar van zijn bewind een minder arrogante koers. Helaas gaat dat gepaard met de opmars van een hele rist meesters van de nieuwe arrogantie, van Rusland over Iran tot Venezuela. Erik ZIARCZYK

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud