Armoede

©Alexia Mangelinckx

Een op de zeven Belgen leeft onder de armoedegrens. Tegelijk besteden we 26 procent van het bruto binnenlands product aan sociale ­uitkeringen. Ergens zit iets grondig verkeerd.

Hoe komt het dat een op zeven Belgen officieel geboekstaafd staat als ‘arm’, terwijl we volgens de federale overheidsdienst Begroting 26 procent van onze jaarlijkse welvaart besteden aan sociale uitkeringen? Dat is de vraag die zich gisteren opdrong nadat de Universiteit Antwerpen haar jaarboek armoede had gepubliceerd.

Een eerste antwoord op de vraag ligt in de statistieken. Armoede is letterlijk een relatief begrip. De armoedegrens wordt berekend door alle inkomens te rangschikken van klein naar groot, het middelste getal te nemen en daarvan 60 procent te nemen. Of anders verwoord: als iedereen tegelijk 10 procent rijker zou worden, zouden er evenveel armen blijven. Er zijn ook andere definities - zoals de ontbering van essentiële voorzieningen - en die leveren lagere cijfers op.

Moeten we de armoedecijfers dan onder de mat vegen? ­Uiteraard niet. De officiële armoedegrens ligt nu op 1.000 euro netto per maand voor een alleenstaande. Niemand zou graag met dat bedrag - of minder - moeten rondkomen. Bovendien leggen de armoedecijfers de vinger op de wonde: een belangrijke manier om de kwaliteit van een beschaving te meten, is kijken hoe het leven van een arme eruit ziet.

Dus blijft de vraag: wat moet er gebeuren om armoede te bestrijden? Het antwoord lijkt in grote lijnen uit drie stappen te bestaan. Wees om te beginnen streng voor wie kan werken, maar het niet doet. Een job is je beste sociale zekerheid zolang je tot de actieve bevolking behoort. Het lost niet alles op - volgens de onderzoekers is slechts een kwart van de armen ‘activeerbaar’. Maar het is wel een stap in de goede richting.

Ten tweede is het goed dat de overheid het bezit van een ­eigen woning fiscaal aanmoedigt. Het is voor veel gepensioneerden hun belangrijkste persoonlijke zilverfonds, één waar bovendien wél waarde in zit. Een huis is je beste sociale zekerheid als je niet meer tot de actieve bevolking behoort.

Ten derde is er de sociale zekerheid voor wie echt uit de boot valt. Een goede 26 procent van het bruto binnenlands product is geen kleingeld. Dat is een budget waar je iets mee kan doen. Dat er desondanks zo veel armen zijn, toont aan dat er iets schort aan het systeem en dat het geld niet genoeg ­terechtkomt bij degenen die het nodig hebben.

In de eerste plaats zijn de armoedecijfers een wake-upcall voor de federale overheid. Maar de Vlaamse regering heeft een punt als ze ook de gemeenten oproept om een armoedebeleid te (blijven) voeren. Niet omdat de gemeenten nu geen schepen van Armoede zouden hebben - sinds 1976 is dat de facto de OCMW-voorzitter - maar wél omdat ze het dichtst bij de burgers staan. Ze zien dus het best waar problemen zijn en wie hulp kan gebruiken.

De uitdaging is duidelijk: help meer mensen aan een job, moedig hen aan een huis te kopen en zorg dat de meer dan

93 miljard euro sociale uitkeringen beter terechtkomt bij wie het echt nodig heeft. De wapens om armoede te bestrijden zijn er. Nu nog betere resultaten.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud