<B>Commentaar</B> over de accijnzen op brandstof: Sluipend rijk

De stijgende olieprijzen laten zich steeds meer in de portemonnee van de burger voelen en daar wil de premier iets aan doen. Als de brandstofprijs een bepaald plafond overschrijdt, wil hij de accijnzen verlagen of bevriezen zodat de prijs niet verder stijgt of op zijn minst minder snel stijgt.

De economische gevolgen van de stijgende olieprijzen zijn nu veel beperkter dan tijdens de oliecrisis van de jaren zeventig. Maar de burger voelt de stijging nu wel meer en directer dan toen in zijn geldbeugel. En dat is terecht. Stijgende olieprijzen komen neer op een collectieve verarming. In de jaren zeventig maakten de olieproducten nog deel uit van de indexkorf en werd die verarming via de indexering van lonen en wedden afgewenteld op het bedrijfsleven en de overheid. Nu worden lonen en wedden gekoppeld aan de gezondheidsindex, waaruit de brandstofprijzen zijn geweerd.

De gebruikers van een bedrijfswagen met tankkaart zijn de enigen die de stijgende prijzen aan de pomp nog niet voelen. Daar betaalt nog steeds de werkgever de gestegen rekening. Dat heeft de regering niet belet het gros van die werkgevers nog eens extra te belasten door de sociale werkgeversbijdrage op bedrijfswagens vanaf volgend jaar te veralgemenen.

De overheid wordt door de stijgende olieprijzen sluipend rijk. Hoe hoger de prijzen, hoe meer accijnzen en BTW er worden geheven, maar hoe hoger ook het overheidsbeslag op de economie wordt. Het voorstel van de premier om de brandstofprijzen te plafonneren, is mee ingegeven door de vrees dat de hogere accijnzen de fiscale druk doen stijgen, net nu die vorig jaar voor het eerst in jaren is gedaald.

Maar de vraag is of een plafonnering daartoe de aangewezen weg is. Toen de regering vorig jaar het cliquetsysteem voor de brandstofprijzen invoerde - waardoor prijsdalingen maar voor de helft doorgerekend worden aan de consument - verwees ze uitdrukkelijk naar het halen van de Kyotonormen. De hogere accijnzen zouden het verbruik temperen, waardoor de uitstoot van broeikasgassen gereduceerd zou worden. In die logica zijn de stijgende brandstofprijzen een godsgeschenk en moet Verhofstadt nu vooral geen prijsplafond instellen.

Het constant houden van de fiscale druk kan de premier ook op een andere manier bereiken. Door bijvoorbeeld met de gewesten een overeenkomst te sluiten waardoor de belasting op inverkeerstelling wordt verlaagd. Of door zelf als federale overheid de taks op de autoverzekeringen te verlagen. Daardoor worden de vaste kosten van het autobezit verlaagd en niet de variabele kosten. De fiscale druk wordt zo constant gehouden op een Kyotovriendelijke manier.

En dat is geen overbodige luxe. Volgens de recentste cijfers van het Europese milieu-agentschap stootte ons land in 2002 2,1 procent meer broeikasgassen uit dan in 1990. Tegen 2008-2012 moet ons land 7,5 procent minder uitstoten dan in 1990.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud