<B>Pigment</B>: Gemeenteraadsverkiezingen. Ieder voor zich

(tijd) - Straks, bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, wordt een lijststem uitbrengen zo goed als nutteloos en moet de helft van de kandidaten vrouwelijk zijn. Hoe groot is de ommekeer die dat teweeg kan brengen in de gemeentepolitiek? En vooral: wordt het nu gemakkelijker om gemeenteraadslid te zijn?

'De burgerdemocratie komt een grote stap dichterbij', zo juichte VLD-voorzitter Bart Somers. 'Dit komt de democratie ten goede', luidde het bij de Vlaamse minister van Gelijke Kansen, Kathleen Van Brempt (sp.a). De aanleiding voor zoveel vreugde was de aankondiging vorige vrijdag van Van Brempt en haar collega van Binnenlands Beleid Marino Keulen (VLD) dat de Vlaamse meerderheidspartijen een akkoord hadden bereikt over enkele wijzigingen aan de procedure voor de gemeenteraadsverkiezingen. Die overeenkomst moet later op het jaar ingepast worden in het nieuwe gemeentedecreet, dat eveneens nog op stapel staat.

Een eerste wijziging bepaalt dat de lijststem die de kiezer uitbrengt bij gemeenteraadsverkiezingen enkel nog zal meetellen in het totale aantal stemmen voor die lijst, en dus voor de zetelverdeling onder de lijsten, maar geen invloed meer zal hebben bij het bepalen van de verkozenen binnen een lijst. De tweede intentie voorziet erin dat bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 de plaatsen op de ingediende lijsten fifty-fifty verdeeld moeten zijn over mannen en vrouwen, en dat minstens een van de drie bovenste plaatsen 'van een andere sekse' moet zijn dan de twee andere.

Hoe diepgaand is de aangekondigde verandering? 'De lijststem had bij de gemeenteraadsverkiezingen al maar een beperkt belang meer bij het bepalen van de verkozenen binnen een lijst', zegt Bram Wauters, onderzoeker aan de afdeling politologie van de KULeuven. 'Het gemiddelde percentage voorkeurstemmen bij de voorgaande gemeenteraadsverkiezingen in Vlaanderen lag al om en bij 85 procent, bij een licht stijgende tendens. Dat cijfer ligt veel hoger dan bij nationale verkiezingen en is doorgaans hoger in plattelandsgemeenten dan in de steden. Het heeft allemaal met de persoonlijke nabijheid van de kandidaten te maken.'

Slechts drie kiezers op twintig brengen nog een lijststem uit voor de gemeente. De pot aan stemmen die dat oplevert, en die verdeeld wordt over de hoogste kandidaten op de lijst is dus meestal al uitgeput bij de tweede, of hooguit de derde kandidaat op de lijst. 'De pot is vooral belangrijk bij kleinere partijen en bij partijen waar de merknaam zwaarder weegt dan de naambekendheid van de kandidaten', zegt Johan Ackaert, politoloog aan het Limburgs Universitair Centrum. 'Dan denk je meteen aan Groen! en het Vlaams Belang.'

Hoeveel procent van de huidige gemeenteraadsleden in 2000 niet verkozen zou zijn met het nieuwe systeem is een omvangrijke berekening (voor 308 Vlaamse gemeenten) die niemand meteen bij de hand heeft. Bram Wauters rekende uit dat de in 2000 ingevoerde halvering van de lijststem maar voor 1,8 procent van de verkozenen in Vlaams-Brabant de verkiezing opleverde. En de politologen Herwig Reynaert en Carl Devos van de Universiteit Gent berekenden enkele jaren geleden dat 75 procent van de burgemeesters in Vlaanderen ook de kandidaten zijn die het meeste voorkeurstemmen behalen in hun gemeente. Gemiddeld schaart zo'n burgemeester trouwens 18,5 procent van de kiezers achter zijn naam, waarbij uiteraard meespeelt dat die kiezer meerdere voorkeurstemmen mag uitbrengen.

Het lijkt er dus op dat de aangekondigde 'neutralisering' van de lijststem niet zo'n groot effect meer zal hebben, omdat de kiezer al massaal gebruikmaakt van de voorkeurstemmen. Ook bij federale en Vlaamse verkiezingen maakt vandaag al 65 procent van de Vlaamse kiezers er gebruik van, zodat het doorbreken van de lijstvolgorde frequenter voorkomt dan vroeger. De grote stap die de afschaffing van de lijststem twintig jaar geleden nog was, wordt op het terrein een steeds kleinere stap voor kiezer en kandidaten, waardoor de felle tegenstanders van weleer ook gemakkelijker bakzeil halen.

Zal de tweede aangekondigde maatregel meer effect hebben? Uit de cijfers die de twee Vlaamse ministers vrijdag bekendmaakten, blijkt dat slechts 27,1 procent van de gemeenteraadsleden in Vlaanderen vrouw zijn, 18 procent van de schepenen en 7,5 procent van de burgemeesters. Die cijfers zijn wel verdubbeld in twaalf jaar tijd.

'In 2000 gold de regel dat minstens een derde van de plaatsen op de lijsten voorbehouden moest zijn voor vrouwen', legt Bram Wauters uit. 'Wat men nu doet, is ongeveer dezelfde regeling invoeren voor de gemeente als voor de parlementsverkiezingen van 2007 en 2009. Daar geldt, naast de fifty-fiftyregel voor de plaatsen, dat de eerste twee plaatsen op de lijst van verschillend geslacht moeten zijn. Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 wil men dat brengen op een op drie, en dat is eigenlijk een bescheidener stap.'

'Die maatregel wordt wel voor een groot stuk uitgehold door de neutralisering van de lijststem', zegt Johan Ackaert. 'Als er geen pot meer is, maakt het amper nog verschil of vrouwen nu eerste, tweede of derde op de lijst staan. De doorbraak van vrouwen is trouwens een algemene trend en hangt dus niet van deze maatregel af. Wel valt het op dat op gemeentelijk niveau die doorbraak minder sterk is dan op nationaal niveau. Als ik naar een reden moet zoeken, vermoed ik dat vooral speelt dat gemeentepolitiek geen professionele fulltime bezigheid is. Je moet het in je vrije tijd doen, en die is voor veel vrouwen toch nog altijd schaarser dan voor mannen.'

'Overigens', merkt Ackaert op, 'is er nog een probleempje. De gemeenteraden tellen wettelijk altijd een onpaar aantal leden, om patstellingen te vermijden. Benieuwd hoe ze die fifty-fifty gaan vastleggen.'

In welke mate veranderen de evoluties in het kiezersgedrag ook de lokale politiek? Gaat men nog vechten om de plaatsen bovenaan op een lijst? 'Er zal aan die plaatsen nog een zeker prestige gekoppeld blijven, zeker aan die bovenaan', zegt Bram Wauters. 'Onderschat ook de gemakzucht bij vele kiezers niet. Het is bewezen dat bovenaan staan op de lijst, en ook onderaan, als lijstduwer, een automatische bonus aan stemmen oplevert.'

En leidt de verschuiving naar meer voorkeurstemmen ook tot een verminderde macht van de partijstructuren? Op gemeentelijk niveau zijn burgemeesters en kandidaat-burgemeesters in hun partij vaak kleine potentaten. Zij moeten ervoor zorgen dat hun partij de beste potentiële stemmentrekkers binnenhaalt, maar zien er even vaak scherp op toe dat zich bij de stemmentrekkers niemand bevindt die hen boven het hoofd kan groeien. Dat heeft zo zijn gevolgen op de interne machtsverhoudingen, dus ook op de verdeling over de lijst van de middelen uit de partijfinanciering.

Gaat dat alles aan het wankelen? 'In zekere zin wel', zegt Bram Wauters. 'Een potentieel populaire kandidaat zal hoe langer hoe minder afgeblokt kunnen worden met de dreiging dat hij naar de lagere regionen op de lijst wordt verbannen. En omgekeerd kan hij er sneller mee dreigen met zijn rugzak vol stemmen naar een andere partij over te stappen, als hij zijn zin niet krijgt. De lokale partijbanden zijn hoe dan ook zeer relatief.'

'Op lokaal vlak is de onafhankelijkheid van de kandidaten veel groter', voegt Johan Ackaert daaraan toe. 'Als partijbonzen een nationale mandataris lager op de lijst zetten, pakken ze de facto zijn job af. Op lokaal niveau kan dat veel minder, omdat de lijstvolgorde veel minder belang heeft, en omdat zelfs schepen- en burgemeesterambten zelden de enige job van de kandidaat zijn.'

Is het dan gemakkelijker geworden voor dissidenten, en dus ook voor nieuwkomers, om zonder steun van een partij gemeenteraadslid te worden? 'Een belangrijke rem blijft de kiesdrempel', merkt Carl Devos op. 'Die ligt, door het zogenaamde systeem-Imperiali, bij gemeenteraadsverkiezingen een stuk hoger voor nieuwe partijen dan bij nationale verkiezingen. Er is, toen Groen! nog in de regering zat, overwogen dat te veranderen. Maar we zullen bij de discussie over het gemeentedecreet moeten zien wat daarvan komt.'

'Ach, in se staren we ons ook wel blind op al die discussies over verkiezingsmechanismen', wil Johan Ackaert nog kwijt. 'We blijven zo steken in redeneringen van de representatieve democratie, waarbij de kiezer om de zoveel jaar zijn mandatarissen mag kiezen en die voor de rest grotendeels hun zin kunnen doen. Het eigenlijke probleem is de verhoging van de participatie van de burger, zeker op lokaal niveau, en het zoeken naar wegen die daartoe leiden. Onderzoek leert dat tot voor 15 jaar de zittende burgemeesters en schepenen gemiddeld een grotere kans maakten om de verkiezingen te winnen dan om ze te verliezen. Sedert 15 jaar is dat gegeven echter omgekeerd. Het wantrouwen van de bevolking tegenover zijn meest directe bestuurders is dus toegenomen. En dat is het echte probleem.'

Rolf FALTER

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud