Bart Haeck

De federale regering staat andermaal voor de opdracht waarin ze tot nog toe het meest ontgoochelde: het gat in de welvaartsstaat dichten.

Er was woensdag een vleugje ‘fin de règne’ bespeurbaar op het Brusselse stadhuis, waar de Vlaamse feestdag werd gevierd. Volgend jaar zal al een nieuwe lichting pas verkozen leden van het Vlaams Parlement en de Kamer de 11de juli vieren. We naderen, via een tussensprint voor de lokale verkiezingen in oktober, de verre aanloop naar een nieuwe moeder aller verkiezingen. Wie dan wint, mag opnieuw vijf jaar de lakens uitdelen in Vlaanderen en het federale België, en zal ook in de EU de Belgische koers kunnen bepalen.

De nieuwe regeringen die na die volgende 11de juli aantreden, zullen een lijstje met ‘unfinished business’ erven. Het belangrijkste punt op dat lijstje wordt het gat in de federale begroting, of de mate waarin we er een welvaartsstaat op na houden waarvoor we niet willen betalen.

Het gat in de welvaartsstaat is er nog altijd. En daarom zullen de verkiezingen van 2019 in grote mate draaien om de vraag hoe we het vullen.

Want er mag dan al wat ‘fin de règne’ zijn, de Vlaamse en de federale regering hebben nog wat werk voor de boeg. Opnieuw wordt de begroting een van de belangrijke onderdelen. De federale regering zit daarover vrijdag voor het eerst samen, op basis van de technische becijferingen van het Monitoringcomité. Die leren dat de regering-Michel volgend jaar nog eens 2,6 miljard euro moet vinden in minder uitgaven of meer inkomsten.

Dat wordt een bijzonder lastige klus, blijkt uit de voorbereidingen. De experts van het Monitoringscomité komen namelijk in opstand tegen de onrealistisch optimistische uitgangspunten waarop de regering haar begrotingswerk wil bouwen, waardoor de inspanning van 2,6 miljard euro ook dubbel zo groot zou kunnen worden. En zo zitten we terug op het grote zwakke punt van deze ploeg: een budget met een te groot gat er in. 

De Studiecommissie voor de Vergrijzing, een instelling van de federale overheid, schetste deze week nog eens waarom die jaarlijkse begrotingsdiscussie zo cruciaal blijft. Op dit moment besteedt de overheid in ons land 25,1 procent van het bruto binnenlands product aan sociale uitgaven. In 2040 zal dat door meer pensioenen en ziektekosten voor oudere mensen oplopen tot 28,6 procen. 1 op de 4 euro die in België wordt verdiend, vloeit nu al naar de sociale zekerheid en die sociale uitgaven zullen nog eens met een zevende stijgen.

Er zijn weinig signalen dat de regering de komende weken zware ingrepen zal doen om het budget alsnog op de rails te krijgen. De ambitie om de begroting in evenwicht te brengen in 2018 is al doorgeschoven naar 2020, voor de volgende ploeg. En de sfeer is niet goed genoeg om nog veel daadkracht te verwachten. Het Monitoringcomité heeft het pessimisme daarover gisteren nog eens gevoed.

Het blijft de belangrijkste ontgoocheling in deze regering, die op andere vlakken nochtans wel het verschil heeft gemaakt. Met de taxshift wordt werken harder beloond, de vennootschapsbelasting is verlaagd en de nodige veiligheidscultuur is gecreëerd. Hopelijk komen daar de komende weken nog enkele verwezenlijkingen bij, in de vorm van een plan om de arbeidsmarkt meer leven in te blazen en een energiepact.

Het gat in de welvaartsstaat is er echter nog altijd. En daarom zullen de verkiezingen van 2019 in grote mate draaien om de vraag hoe we het vullen: met nog meer belastingen? Of met besparingen? Of niet? Want dat is wat we nu doen, in de hoop dat we niet koud gepakt worden door het stijgende tij van een hogere rente.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content